Abortus
Het recht op zwangerschapsonderbreking, zoals vastgelegd in de abortuswet van 3 april 1990, is voor de Vrouwenraad een onomkeerbaar verworven recht voor iedere vrouw. Maar volgens ons is er nood aan bijsturing.

Abortus

De Nationale Evaluatiecommissie vrijwillige zwangerschapsafbreking moet de abortussen verplicht registreren (wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking) en hierover tweejaarlijkse rapporten publiceren. De rapporten bevatten gegevens over het aantal geregistreerde abortussen in België, de ingeroepen noodsituaties en de abortustechniek. Het recentste rapport van de Evaluatiecommissie dateert van 2021 en gaat over 2018 en 2019.

In 2019 werden 18.027 zwangerschapsafbrekingen uitgevoerd in België. De cijfers blijven de laatste 15 jaren vrij stabiel. Aangezien absolute cijfers moeilijk te interpreteren zijn wordt het abortuscijfer gebruikt. Het Belgisch abortuscijfer op 1 januari 2020 was 8,4. Dat betekent dat er in België in 2019 ruim 8 abortussen verricht werden op 1000 vrouwen in de reproductieve leeftijd (15-44 jaar). Het abortuscijfer dient ook voor internationale vergelijkingen. De abortusratio is het percentage dat het aantal abortussen weergeeft in verhouding tot het totaal aantal zwangerschappen. Het Belgisch abortuspercentage bedroeg in 2017 0,14. Dat betekent dat in 2017 in België 14% van de zwangerschappen werd afgebroken.

Belgische vrouwen onderbreken hun zwangerschap gemiddeld rond de zevende week. Maar jaarlijks gaan nog een 500-tal vrouwen vanuit België naar Nederland voor een abortus omdat ze de termijn van twaalf weken zwangerschap al hebben overschreden. Er zijn veel vrouwen die de periode van 12 weken inclusief de zes dagen bedenktijd als te nipt ervaren. Vaak weten ze zelfs nog niet dat ze zwanger zijn.

Aanpassing abortuswet in 2018

Na jaren lobby vanuit de vrouwen- en feministische beweging werd de wetgeving in 2018 aangepast. Abortus wordt een zogenaamd recht in plaats van een misdrijf. De wetgever haalde de vrijwillige abortus uit het Strafwetboek omdat het onder het hoofdstuk 'Misdaden en Wanbedrijven tegen de Orde der Familie en tegen de Openbare Zedelijkheid' op een ongelukkige plaats stond (moraliserend, denigrerend). De regels rond vrijwillige abortus zijn dus uit het Strafwetboek gehaald maar niet uit het strafrecht. Juridisch gezien gaat het om een bijzondere strafwet.

De wet van 4 oktober 2018 betreffende de vrijwillige zwangerschapsafbreking, tot opheffing van de artikelen 350 en 351 van het Strafwetboek, tot wijziging van de artikelen 352 en 383 van hetzelfde Wetboek en tot wijziging van diverse wetsbepalingen versoepelt sommige voorwaarden van de abortuswet van 1990:

De verplichte bedenktijd van zes dagen wordt behouden maar vervalt wanneer de gezondheid van de vrouw in gevaar is. De termijn van twaalf  weken waarin een vrouw abortus mag vragen kan verlengd worden. Indien de eerste raadpleging plaatsvindt minder dan zes dagen voor het einde van de termijn, dan wordt die termijn verlengd prorata het aantal niet verstreken dagen van de termijn van zes dagen. De notie noodsituatie verdwijnt uit de wetgeving. Artsen die weigeren een abortus uit te voeren, worden verplicht om door te verwijzen naar collega’s.

Een vrouw verhinderen een abortus uit te voeren is strafbaar. Een vrouw die de termijn van twaalf weken of de andere voorwaarden niet respecteert, blijft op dezelfde manier strafbaar als in de wet van 1990. Abortushulpverleners moeten nog steeds adoptie ter sprake brengen. Bij late abortussen om medische redenen moet de diagnose van aangeboren afwijkingen met 100% zekerheid vastgesteld zijn. In de praktijk is dat vaak niet mogelijk. De ethische commissies van de ziekenhuizen blijven op dit vlak verantwoordelijk. De ‘wet uitoefening gezondheidsberoepen’ en de ‘wet patiëntenrechten’ werken als een ‘lex generalis’ voor alle aspecten die niet geregeld worden in de nieuwe abortuswet (vb. het recht van de patiënt om zijn dossier te bekijken). De abortuswet 2018 verwijst niet naar die generieke gezondheidswetten.

Nieuw wetsvoorstel eind 2019

Feministische, progressieve groeperingen en de vrijzinnig humanistische organisaties ijverden samen verder voor een definitieve wettelijke regeling.

Een aantal Kamerleden dienden opnieuw wetsvoorstellen in. Dat resulteerde in het wetsvoorstel van 30 december 2019 tot versoepeling van de voorwaarden om tot een zwangerschapsafbreking over te gaan DOC 55 0158/009. Concreet gaat het over:

  • Het schrappen van een specifieke vermelding in de abortuswetgeving van strafrechtelijkesancties voor vrouwen en artsen - een uniek geval in onze wetgeving - en een doorverwijzing naar het gemeen recht.
  • De verlenging van de maximale termijn waarbinnen een abortus mag uitgevoerd worden
    van 12 naar 18 weken.
  • Het inkorten van de bedenktijd van 7 dagen naar 48 uur.
  • De gewetensclausule is een individueel recht van de arts en kan niet worden uitgebreid tot
    een instelling.
  • Een arts die weigert om een zwangerschapsonderbreking uit te voeren is verplicht om de
    patiënt door te verwijzen naar een arts of dienst die haar rechtstreeks zal behandelen.
  • Vrouwen de toegang verhinderen tot abortus wordt bestraft. Sinds de wet van 2018 is het
    een recht en niemand kan iemand de toegang tot een recht belemmeren.

Perikelen 2020

Maar op 12 maart 2020 stemde de plenaire van de Kamer niet over het wetsvoorstel om de abortuswet te versoepelen. Partijen die tegen de versoepeling van de abortuswetgeving zijn (vier van de twaalf), dienden amendementen in waarover de Raad van State telkens advies moest geven. Dit heeft zich een drietal maal herhaald en we stellen vast dat dit nog nooit eerder gebeurd is met een ander wetsvoorstel. Het resultaat was dat de abortuskwestie als pasmunt voor onderhandelingen voor de Vivaldi-regering heeft gediend.

Verschillende vrouwen- en vrijzinnige organisaties hebben zich hierover duidelijk laten horen. De Vrouwenraad ondertekende met andere organisaties en in de periode maart-juli 2020 een aantal open brieven en persberichten (zie verder).

Het regeerakkoord van 30 september 2020 voorziet in de oprichting van een multidisciplinair wetenschappelijk comité en een studie-evaluatie van de huidige wet, met als doel de debatten in de commissie Justitie voort te zetten en tussen de regeringspartijen een consensus te vinden over een eventuele wijziging. Het verzoek om de oprichting van dit comité was voor ons onverwacht, te meer omdat de nationale commissie voor de evaluatie van de abortuswet bestaat, waarvan de leden bij koninklijk besluit worden benoemd, en dat er al veel antwoorden zijn gegeven aan de parlementsleden sinds het begin van de debatten in 2016, en in het bijzonder tijdens talrijke hoorzittingen in de Commissie Justitie in juni 2018. Het maatschappelijk hoopt dat binnen een redelijke termijn constructieve resultaten worden bereikt.

Lobby middenveld/Vrouwenraad

Des inégalités d'accès à la santé sexuelle et reproductive exacerbées par la pandémie, open brief gepubliceerd op Les Grenades, 8 maart 2021 (mee ondertekend door de Vrouwenraad)

Brief/opinie abortus 14 juli 2020 Vrouwenbeweging

Opinie Magda De Meyer & Sylvie Lausberg 1 juli 2020

Mémorandum de la plateforme Abortion Right. Un droit à l’interruption volontaire de grossesse pour toutes les femmes april 2019

Vrouwenraadmemorandum Gezondheid/zorg – Bio-ethiek -  Seksuele en reproductieve rechten 2019, p. 231-233

Algemene info

Luna Nederlandstalige Abortuscentra; Infomap Luna maart 2020
Sensoa, Abortus en ongeplande zwangerschap in België: feiten en cijfers
Sensoa, Alles over seks/abortus

 
Download documenten :
Uitbreiding abortuswet:
Alleenstaanden
De Vrouwenraad werkt sinds verschillende jaren rond het thema alleenstaanden. Dat kunnen alleenstaande vrouwen zijn zonder kinderen (singles), alleenstaande moeders, eenoudergezinnen. Via aanbevelingen aan de overheid, memoranda, platforms, projecten trachten we aandacht voor hun precaire situatie te vragen en concrete/specifieke maatregelen voor te stellen.

Alleenstaanden

De Vrouwenraad werkt al verschillende jaren rond het thema alleenstaanden. Dat kunnen alleenstaande vrouwen zijn zonder kinderen (singles), alleenstaande moeders, eenoudergezinnen.
Via aanbevelingen aan de overheid, memoranda, platforms, projecten vragen we aandacht voor hun precaire situatie en stellen we concrete/specifieke maatregelen voor.

Vrouwenraadprojecten alleenstaande vrouwen en moeders

MIRIAM: empowerment van alleenstaande moeders in het OCMW 2016 - 2021

MIRIAM 1.0 (2016-2017)

Het project MIRIAM wil door middel van intensieve begeleiding de empowerment van alleenstaande moeders met een leefloon in het OCMW verhogen, hun sociaal isolement doorbreken en de armoede terugdringen, met het oog op maatschappelijke en socio-professionele integratie. Speciaal daartoe aangestelde casemanagers werken een programma uit met zowel individuele als collectieve begeleiding, vanuit een holistisch perspectief. Zo wordt er gewerkt rond informatie, participatie, kennen en gebruik maken van rechten, toeleiding naar dienst- en hulpverlening en naar vorming. Ook het ontwikkelen van een kritisch bewustzijn en het werken aan verandering, zelfbeeld en zelfvertrouwen maakt deel uit van de begeleiding.

Het project werd opgestart in de OCMW’s van Namen, Charleroi, Sint-Jans-Molenbeek, Leuven en Gent. Het doel is een aanpak te ontwikkelen die op termijn kan uitgerold worden in andere OCMW’s.

De Vrouwenraad coördineert het project en bewaakt de gendersensitieve en de intersectionele dimensie. De POD Maatschappelijke integratie zorgt voor de nodige ondersteuning en opvolging.

Meer lezen:

Eindrapport 2016

Eindrapport 2017

Flyer Miriam 2017

Methodiekenboek Alleenstaande moeders beter begeleiden in het OCMW 2018

Analyse begeleidingsplan evaluatie en empowermentmeter 2018

Een filmpje over het MIRIAM project vind je hier

MIRIAM 2.0 (2018-2019)  

Het MIRIAM project startte op in zes andere OCMW’s: Antwerpen, Bergen, Genk, Luik, Oostende en Stad Brussel. Via de Vrouwenraad konden deze lokale MIRIAM projecten ook contacten leggen met vrouwenorganisaties in hun gemeente. .

Meer lezen:

Slotrapport MIRIAM 2.0 Analyse van de effecten van MIRIAM 2.0 ten opzichte van de organisatorische en territoriale context 2020  

Samenvatting van het evaluatieverslag 2020

MIRIAM 3.0 (2020-2021)

Tijdens de Coronaperiode loopt MIRIAM in Mechelen, Sint-Niklaas, Anderlecht, Schaarbeek, La Louvière en Seraign.

“Elk kind telt. Alleenstaande moeders, gender en armoede” 2013-2014

De Vrouwenraad coördineerde in samenwerking met de Vrouwenraadleden het project 'Alleenstaande moeders, gender en armoede'. Op lokaal vlak zetten onze leden een 20-tal concrete projecten op voor en door alleenstaande arme moeders (al dan niet met een migratieachtergrond), in overleg met de Vlaamse armoedebestrijdingsactoren, samen met de verenigingen waar armen het woord nemen en met ervaringsdeskundigen. Lokale vrijwilligers van vrouwenverenigingen en lokale instanties gaven het project mee vorm.

De Vrouwenraad en Zonta International organiseerden samen het slotevent in zaal Zinnema te Anderlecht op 26 oktober 2014. Magda De Meyer, toenmalig voorzitter van de Vrouwenraad, formuleerde er onze aanbevelingen. De documentaire ‘Single Mama Survival Kit’, die Rocio Forero voor ons maakte in samenwerking met Hilde Wils, werd er voorgesteld. We maken kennis met alleenstaande moeders en hun kinderen uit de twintig projecten. Stuk voor stuk zijn ze op zoek naar een evenwicht tussen kinderen, werk, huishouden, school en overleven. Zonta bracht er de theatervoorstelling ‘100vrouwen 100uit’, die zich als één vrouw in de strijd tegen armoede gooit. Honderd vrouwen nemen hun sterkte en schoonheid als uitgangspunt. Wim Ipers tekende voor de regie.

Zina & Mina tales, singels intercultureel bekeken 2008

De Vrouwenraad nam in 2008 het initiatief voor een sociaal-artistiek en intercultureel  project de ‘Zina&Mina tales’ met steun van het Federaal Impulsfonds voor het Migrantenbeleid.

Omdat het aantal eenoudergezinnen bleef stijgen en alleenstaande vrouwen uit diverse culturen hand over hand toenamen richtten we de camera op deze groep.

Hoe zien solo’s hun situatie in een multiculturele samenleving. Welke positie nemen zij als single in. Rusten er nog verborgen taboes op alleenstaande vrouwen? Verschilt hun beleving of ervaren alleenstaande vrouwen in alle culturen net gelijkenissen.  Hebben zij rechten, of worden zij eerder meervoudig gediscrimineerd? Is hun financiële situatie rooskleurig of is hun koopkracht eerder beperkt. Welke rol spelen vrouwenverenigingen in hun sociaal leven?

Via dit project wilde de Vrouwenraad een maatschappelijk relevante en interculturele dialoog tot stand brengen die de positie van singles zou kunnen verbeteren en de aandacht van het beleid voor hen warm houden.

We lieten een DVD ‘’Zina&Mina tales, singles intercultureel bekeken” maken en een begeleidende map.

Platforms Eenoudergezinnen

Federaal Platform Eenoudergezinnen 2002-2007

In 2002 nam Flora vzw het initiatief om een Platform Eenoudergezinnen op te richten vanuit de vaststelling dat de problemen van alleenstaande moeders van diverse aard zijn en dat ze heel vaak het hoofd moeten bieden aan een opeenstapeling van moeilijkheden op het economische, relationele, culturele en sociale vlak. Het risico dat eenoudergezinnen lopen om in de armoede en in het isolement te verzeilen blijkt ook groter te zijn dan bij tweeoudergezinnen. Dit Platform was actief van 2002 tot 2007. Nederlandstalige en Franstalige vrouwen- en gezinsorganisaties waren er lid van. De Vrouwenraad nam in samenwerking met Université des Femmes al snel de coördinatie voor zijn rekening en liet twee studies uitvoeren:

  • Sociaal-economische levensomstandigheden van eenoudergezinnen in België, Centrum voor Sociaal Beleid, 2003
  • Studiedag ‘Alleenstaande moeders - Gezondheid, levensomstandigheden, levensloopverhalen’ op basis van interviews, 2007

Deze studies leidden telkens tot beleidsaanbevelingen. Naar aanleiding van de verkiezingen in 2014 stelde de Vrouwenraad een federaal en Vlaams pakket met geactualiseerde beleidsaanbevelingen samen.

Vlaams Platform Eenoudergezinnen 2015-2018

In september 2015 blies de Vrouwenraad het ‘Vlaams’ Platform eenoudergezinnen nieuw leven in met de bedoeling de kennis over deze kwetsbare groep verder te verfijnen, inclusief beleidsaanbevelingen over verschillende deelthema’s.

Het Platform maakte infofiches: cijfers en typologieën, armoederisico, werk/werkloos, gezondheid, participatie, toegang tot juridische hulp, huisvesting, overzicht beleidsmaatregelen voor eenoudergezinnen.

Tot en met 2018 organiseerde het Platform jaarlijks één à twee ronde tafels met diverse stakeholders over deelthema’s. Op basis van de besprekingen tijdens deze ronde tafels formuleerden we aanbevelingen.

Sinds 2018 ligt de focus van onze werking over/met alleenstaande ouders voor honderd procent bij MIRIAM.

Download documenten :
Wat de gezondheidsenquête prijsgeeft over alleenstaande ouders 2018
Vrouwenraadaanbevelingen wonen en eenoudergezinnen 2017
Alleenstaande ouders - cijfers en typologieën 2016
Alleenstaande ouders - participatie 2016
Alleenstaande ouders - armoederisico 2016
Alleenstaande ouders - huisvesting 2016
Alleenstaande ouders overzicht beleidsmaatregelen en -voorstellen 2016
Alleenstaande ouders - gezondheid 2015
Alleenstaande ouders - werk en werkloos 2015
Alleenstaande ouders - toegang tot juridische hulp 2015
Beleidsnota Armoedebestrijding 2014-2019. Gewikt en gewogen Enkele aandachtspunten voor het Vlaamse Armoedebeleid
Elk kind telt.Alleenstaande moeders, gender en armoede 26 oktober 2014
Tool 'Alleenstaande moeders, gender en armoede' december 2014
Aanbevelingen: Alleenstaande moeders, gender en armoede 2014
Beleidsaanbevelingen: Alleenstaande ouders, gender en armoede Federaal 2014
Beleidsaanbevelingen: Alleenstaande ouders, gender en armoede Vlaanderen 2014
Methodiekenboek Alleenstaande moeders beter begeleiden in het OCMW
Instrument Analyse, begeleidingsplan, evaluatie en empowermentmeter
Flyer Miriam
Miriam -Eindrapport 2016
Miriam - eindrapport 2017
MIRIAM - signalennota project MIRIAM en Covid-19
MIRIAM - Note de signaux projet MIRIAM et covid-19
Interessante Links :
De Coronacrisis verhoogt het armoederisico van alleenstaande moeders en hun kinderen 2020
Graag haalbare combinatieoplossingen voor alleenstaande ouders
Baarmoederhalskanker
Elk jaar krijgen ongeveer 350 vrouwen in Vlaanderen baarmoederhalskanker. Het is de zevende meest voorkomende kanker bij vrouwen en de tweede bij vrouwen in de leeftijdsgroep van 15 tot 44 jaar.

Baarmoederhalskanker

Baarmoederhalskanker is de zevende meest voorkomende kanker bij vrouwen en de tweede bij vrouwen in de leeftijdsgroep van 15 tot 44 jaar.

Baarmoederhalskanker ontstaat door een infectie met het HVP-virus (het humaan papillomavirus). Tussen het oplopen van de infectie en het ontstaan van deze kanker kan 10 tot 15 jaar liggen. Deze periode noemt men de voorstadia van kanker met afwijkende cellen die zich tot kankercellen kunnen ontwikkelen maar die evengoed naar hun oorspronkelijke vorm kunnen terugkeren. Uiteindelijk krijgt 1 vrouw op 100 die met HPV besmet is baarmoederhalskanker.

Het HPV-virus is erg verspreid. Zowat 80% van de vrouwen krijgt tijdens het seksueel actief leven een HPV-besmetting. Ook lesbiennes kunnen besmet worden maar de kans is kleiner dan bij heterovrouwen.

Sinds het schooljaar 2010-2011 zorgt de Vlaamse overheid ervoor dat jaarlijks alle meisjes in het eerste jaar secundair onderwijs het vaccin tegen HPV gratis krijgen. Het vaccin beschermt wel niet tegen alle types kanker aan de baarmoederhals.

Baarmoederhalskanker (of de voorstadia) wordt opgespoord via een uitstrijkje dat afgenomen wordt door de huisarts of de gynaecoloog.

In juni 2013 startte de Vlaamse overheid met een veralgemeend bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker. Vrouwen van 25 tot en met 64 jaar worden aangemoedigd om één keer om de drie jaar een uitstrijkje te laten nemen. De onkosten worden grotendeels of volledig terugbetaald. Het remgeld voor de consultatie bij de huisarts of de gynaecoloog moet wel betaald worden.

Wanneer vrouwen uit de doelgroep 25 tot 64 jaar nog niet hebben deelgenomen of wanneer het langer dan 3 jaar geleden is dat ze een uitstrijkje lieten nemen, ontvangen ze een uitnodigingsbrief voor het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker van het Centrum voor Kankeropsporing samen met een informatieve folder. Wanneer ze al wel een uitstrijkje hebben laten nemen, ontvangen ze 3 tot 4 jaar hierna een uitnodiging (als ze ondertussen nog niet opnieuw hebben deelgenomen).

In 2018 riep de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op om te komen tot een incidentie van minder dan vier nieuwe gevallen baarmoederhalskanker per 100.000 vrouwen per jaar. De WHO formuleerde hiervoor drie concrete doelstellingen tegen 2030:

  • 90% van de 15-jarige meisjes moet gevaccineerd zijn tegen HPV: het Vlaams vaccinatieprogramma heeft deze doelstelling reeds behaald.
  • 70% van de vrouwen moet gescreend zijn op 35 en 45 jaar en er moet 90 % opvolging zijn indien afwijkingen gevonden worden: nog niet behaald.
  • 90% van de vrouwen met een cervix aandoening moet behandeld worden: 20% van de vrouwen met een afwijkend resultaat heeft nog steeds geen opvolging gehad.

Enkele kerncijfers voor Vlaanderen :

  • Op 1 januari 2019 betrof de volledige doelgroep 1.717.184 vrouwen. Daarvan kwamen 883.591 vrouwen in aanmerking voor de screening (na exclusie van personen wegens bv. deelname in voorgaande kalenderjaren).
  • De totale dekking bleef in de periode 2017-2019 stabiel boven 63%. Voor 2019 bedroeg de dekkingsgraad 63,7% (nog niet definitief).
  • De dekkingsgraad per leeftijdscategorie bedroeg voor 2019: 30-34 jaar: 68,0%; 35-39 jaar: 67,3%; 40-44 jaar: 67,0%; 45-49 jaar: 66,7%; vanaf 55 jaar daalt het tot 55,1% in de oudste leeftijdscategorie van 60-64 jaar.
  • 7,6% van de uitstrijkjes is afwijkend.
  • Het aantal nieuwe tumoren voor de volledige doelgroep bedroeg in 2018: voor de tumoren in situ: 3.570 en voor de invasie tumoren: 240. Voor 2019 zijn de cijfers nog niet bekend. Het aantal nieuwe invasieve tumoren bij de gescreenden van de doelgroep bedroeg 147 in 2018 en het aantal intervalkankers (tussen twee screening in ontstaan) bedroeg 60 (=25% ten opzichte van het totaal aantal tumoren).

 

Voor meer cijfers over het Bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker verwijzen we naar het Jaarrapport 2020 Bevolkingsonderzoeken Kanker van het Centrum voor Kankeropsporing.

Wil je nog meer cijfermateriaal, dan kan je bijvoorbeeld ook terecht op: http://bevolkingsonderzoek.incijfers.be/; zelfs tot op gemeentelijk niveau.

 

Betaalbare en kwaliteitsvolle huisvesting is een afdwingbaar mensenrecht
Meerdere internationale verdragen erkennen het recht op adequate huisvesting, zoals het VN-Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het kernverdrag uit 1966 voor het recht op kwaliteitsvolle huisvesting. Dit recht staat niet op zichzelf, maar hangt samen met andere mensenrechten.

Betaalbare en kwaliteitsvolle huisvesting is een afdwingbaar mensenrecht

In dit artikel keren we eerst terug naar 1948 en de aanvaarding van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die het jaar daarop in werking treedt. De erin opgenomen rechten, waaronder het recht op adequate huisvesting voor ieder mens, zijn dan nog niet juridisch afdwingbaar. Aan de basis van dit recht liggen verschillende artikelen uit de UVRM.

Meerdere internationale verdragen erkennen het recht op adequate huisvesting, zoals het VN-Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het kernverdrag uit 1966 voor het recht op kwaliteitsvolle huisvesting. Dit recht staat niet op zichzelf, maar hangt samen met andere mensenrechten, bijvoorbeeld met het recht op gezondheid, en met de verplichtingen van staten onder deel II van het verdrag. Alle opgesomde economische, sociale en culturele rechten gelden voor iedereen. Discriminatie is niet toegestaan en staten zijn verplicht om maatregelen te nemen die eenieder het genot van al deze rechten verzekeren. In een apart artikel wordt zelfs expliciet aandacht besteed aan het gelijkheidsprincipe m/v.

Het Toezichthoudend Comité bij dit verdrag gaat uitgebreid in op de verplichtingen van staten. Uit de ratificatie volgen automatisch drie verplichtingen: eerbiediging, bescherming en vervulling van de rechten uit het verdrag.

In ons land is dit VN-verdrag van kracht sedert 1983. De overheid moet regelmatig een rapport indienen bij het comité dat toezicht houdt, met daarin de genomen maatregelen, de geboekte vooruitgang en gedetailleerde informatie over achtergestelde groepen (zoals dakloze mensen). In 1994 werd het recht op huisvesting in onze grondwet ingeschreven als onderdeel van een waardig leven (art. 23).

In 2008 aanvaardden de VN een Optioneel Protocol bij het Verdrag over de economische, sociale en culturele rechten. Dit protocol geeft het comité het recht om zelf een onderzoek op te starten en het voorziet ook in de mogelijkheid van een individueel klachtrecht. België heeft dit protocol in 2014 geratificeerd. In 2019 diende ons land zijn vijfde rapport in. Het comité formuleerde zeven aanbevelingen in antwoord op dit verslag.

Op Europees niveau wordt het recht op huisvesting voor het eerst expliciet opgenomen in de herziene versie van het Europees Sociaal Handvest (1996) van de Raad van Europa. Ook hier werd een Toezichthoudend Comité aangesteld met twee instrumenten om het handvest te monitoren en te doen uitvoeren: de collectieve klachtenprocedure en het rapportagemechanisme.

België aanvaardde het protocol over de collectieve klachtenprocedure in 2003 en aanvaardde het herziene Europees Sociaal Handvest in 2004. Op dit moment heeft ons land 87 van de 98 provisies van het handvest aanvaard. De bepalingen over het recht van eenieder op betaalbare en behoorlijke huisvesting, het voorkomen en terugdringen van dakloosheid en  het recht van ouderen op wonen behoren daar helaas (nog) niet toe.

Op het niveau van de VN werd het recht op adequate huisvesting uitgediept in meerdere besluiten van de Habitat conferenties (I, II, +5, III), waaronder de Nieuwe Stedelijke Agenda (2017) en de besluiten van de eerste VN Habitat Vergadering (2019), met onder meer een besluit over het bereiken van gelijkheid tussen vrouwen en mannen door middel van gendermainstreaming en een besluit over het Habitat Strategisch Actieplan 2020-2023.

Op het niveau van de Europese Unie is er geen direct recht op huisvesting, maar er kan wel naar verwezen worden.

In 2005 en 2012 verrichtte de VN Speciale Rapporteur specifiek onderzoek naar vrouwen en adequate huisvesting. De fundamenten voor ongelijkheid zijn vandaag nog steeds pertinent, ook in Vlaanderen. Geweld op vrouwen is een van de oorzaken van de ondermijning van de mensenrechten van vrouwen, waaronder dus huisvesting. Alleenstaande moeders, personen met een laag inkomen, een handicap en/of een migratieachtergrond, laaggeschoolden, jongeren, ouderen… behoren tot de meest kwetsbare groepen. Vrouwen worden wanneer het om huisvesting gaat niet enkel gediscrimineerd omdat ze vrouw zijn, maar ook omdat ze bijvoorbeeld arm zijn, een niet-witte huiskleur hebben, oud(er) zijn, een handicap hebben, niet hetero zijn enz. De survey ‘Wonen in Vlaanderen anno 2018’ verschaft echter niet voldoende kennis over de positie van mannen en vrouwen met betrekking tot hun toegang tot adequate huisvesting.

Algemeen kunnen we besluiten dat vrouwen omwille van hun sociaaleconomische positie en omwille van genderongelijkheid tot vele van de precaire groepen op de huisvestingsmark behorent. Sommige groepen vrouwen zoals alleenstaande moeders, alleenstaande oudere vrouwen, jonge vrouwen, vrouwen met een handicap, vrouwen met een migratieachtergrond, vrouwen met een laag inkomen… worden hierdoor bijzonder getroffen.

Het antwoord op deze achterstelling is een beleid van gendermainstreaming in combinatie met specifieke en bijzonder tijdelijke maatregelen, inclusief op gebied van huisvesting. Toegepast op het recht van eenieder op veilig en waardig wonen houdt dit de verplichting in voor regeringen, overheden en/of hun vertegenwoordigers, om voor bijzonder kwetsbare personen, bijzondere maatregelen te treffen opdat hun gelijk recht op wonen gerespecteerd zou worden.

Download hier het volledige artikel: Betaalbare en kwaliteitsvolle huisvesting is een afdwingbaar mensenrecht. (pdf)

 

Borstkanker
De Vrouwenraad is zeer bekommerd om de gezondheid van vrouwen en vooral om het feit dat ongeveer 1 op 9 vrouwen borstkanker krijgen. In Vlaanderen is het de meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen.

Borstkanker

De Vrouwenraad is zeer bekommerd om de gezondheid van vrouwen en vooral om het feit dat ongeveer   1 op 9 vrouwen borstkanker krijgen. In Vlaanderen is het de meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen. De Vrouwenraad focust al enkele jaren op de preventie van borstkanker in het kader van het Vlaams bevolkingsonderzoek naar borstkanker. Sinds 2015 kwamen we ook op voor een betere terugbetaling van de warmeborstreconstructie.

Preventie

De Vrouwenraad is lid van de Vlaamse werkgroep Bevolkingsonderzoek naar borstkanker. Dit is een ondersteunende werkgroep die de uitvoering van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker opvolgt.

Op beleidsvlak gebeurt er heel wat met betrekking tot borstkankeropsporing. De gemeenschappen zijn hiervoor verantwoordelijk.

Het Vlaams bevolkingsonderzoek naar borstkanker loopt al sinds 2001. Het geeft vrouwen van 50 tot en met 69 jaar de mogelijkheid om tweejaarlijks een screeningsmammografie te laten nemen. Dit onderzoek biedt de beste kansen om vroegtijdig borstkanker op te sporen bij vrouwen die nog geen klachten hebben. De kans op genezing wordt daardoor groter, moest er een tumor ontdekt worden. Het onderzoek is gratis voor deze leeftijdsgroep op voorwaarde dat men aangesloten is bij een mutualiteit.  Er moet geen remgeld betaald worden.

Het gratis bevolkingsonderzoek is niet van toepassing op vrouwen jonger dan 50 jaar omdat bij hen vaak nog veel klierweefsel in de borsten zit. Dat maakt de röntgenfoto's van de mammografie moeilijker te beoordelen bij vrouwen zonder klachten. Bovendien zijn vrouwen jonger dan 50 jaar ook nog gevoeliger voor straling. Er is onvoldoende wetenschappelijk bewijs dat een bevolkingsonderzoek van vrouwen tussen 40 en 49 jaar voordelig is. De nadelen kunnen voor deze groep zelfs groter zijn dan de voordelen. Vrouwen kunnen zich in overleg met hun arts wel individueel (maar niet gratis) laten onderzoeken.
Dit principe geldt ook voor vrouwen vanaf 70 jaar. Wetenschappelijke studies spreken elkaar tot nu toe tegen over de effecten van een bevolkingsonderzoek bij deze groep en het is niet aangetoond dat de voordelen zwaarder doorwegen dan de nadelen.

Enkele kerncijfers 2019:

  • Op 1 januari 2019 telde de doelgroep 877.514 vrouwen. Na exclusie (bv. wegens bilaterale masectomie of borstkanker tijdens de voorafgaande 10 jaar) bleven er nog 571.099 vrouwen over. Daarvan kregen er 391.764 een uitnodiging. De andere vrouwen waren bv. in 2018 al uitgenodigd.
  • De responsgraad was 54,1%, een lichte stijging ten opzichte van de ca. 51% van de voorafgaande jaren.
  •  
  • De totale dekkingsgraad toont dat 64,7% van de doelgroep wordt bereikt en dan in vergelijkbaar met de voorbije jaren. Deze vrouwen laten zich onderzoeken in het bevolkingsonderzoek, erbuiten, of ze hoeven niet deel te nemen.
  • Een derde van de doelgroep wordt nog niet bereikt en ongeveer 14,5% (127.289 vrouwen) werd nog nooit gescreend binnen of buiten het Bevolkingsonderzoek Borstkanker.
  • 90% van de onderzochte vrouwen krijgt binnen 6 dagen het resultaat van het onderzoek en 94,7% binnen de 14 dagen (norm = 90%).
     

Wil je nog meer cijfermateriaal, dan kan je bijvoorbeeld terecht op:
http://bevolkingsonderzoek.incijfers.be/ ; zelfs tot op gemeentelijk niveau.
 

Meer info:
Jaarrapport 2020 Bevolkingsonderzoeken Kanker

De uitdagingen was dat tegen 2020 de totale dekkingsgraad op 75% zou liggen maar dat is niet gelukt.

Tijdens Corona

Wegens COVID-19 lag het Bevolkingsonderzoek Borstkanker echter stil van eind maart tot eind juni 2020, waardoor circa 50.000 vrouwen niet op tijd werden gescreend. Het kankerregister onderzocht  de impact hiervan. Die analyse toonde aan dat de borstkankers nog steeds vroeg genoeg worden gevonden als het screeningsinterval maximaal 30 maanden is (= 6 maanden uitstel). Ook bleek het van belang dat een dergelijk uitstel slecht één keer voorkomt. Indien een verbreed screeningsinterval vaker voorkomt, of groter wordt dan 30 maanden, ziet men wel een neiging tot meer geavanceerde kankerdiagnoses.Dit is de belangrijkste reden waarom het bevolkingsonderzoek de tijdens de tweede piek verder liep.

Warmeborstreconstructie

Elk jaar worden meer dan 10 000 vrouwen door borstkanker getroffen. Bij de meerderheid wordt de tumor, of zelfs de volledige borst weggenomen. Vrouwen die na kanker een borstreconstructie wensen, kunnen kiezen tussen een synthetisch implantaat en lichaamseigen weefsel, de zogenaamde warmeborstreconstructie of autologe reconstructie. Ongeveer de helft van de vrouwen kiest voor de warmeborstreconstructie. Elk jaar ondergaan meer dan 1.500 vrouwen zo’n ingreep.

Een slag die we (Vrouwenraad en andere organisaties zoals de voormalige Benetiet vzw, Europa Donna Belgium) thuisgehaald hebben was de terugbetaling van de warmeborstreconstructie na borstkanker of  na een preventieve masectomie voor vrouwen met bewijs van het BRCA 1 of 2-gen. Het zogenaamde borstenakkoord van oktober 2016. In 2019 werden een aantal wijzigingen doorgevoerd en er kwam een nieuwe overeenkomst. 

Meer info:

RIZIV Terugbetaling van borstreconstructie met eigen weefsel

KCE, Focus op borstkanker met info over opsporing van borstkanker, de behandeling van borstkanker, de borstreconstructie.

 

Download documenten :
Borstkanker op de agenda van instellingen en organisaties 2015
Interessante Links :
Warme borsten voor alle borstkankerpatiënten? 2015
Corona
De COVID-19 pandemie heeft niet dezelfde gevolgen voor vrouwen en mannen. Vanuit medisch oogpunt worden mannen meer getroffen door het virus, maar de sociale en economische impact treft vooral vrouwen. Als verzorgenden, als moeders, als werknemers en als ondernemers staan vrouwen in het hart van de crisis. Vrouwen behoren ook tot de meest kwetsbare groepen: er zijn meer arme vrouwen en vrouwen staan extra bloot aan partnergeweld. Het beleid moet rekening houden met deze genderdimensie. Hoe? In dit samenvattend artikel van een OESO verslag leest u er alles over.

Corona

De COVID-19 pandemie heeft niet dezelfde gevolgen voor vrouwen en mannen. Vanuit medisch oogpunt worden mannen meer getroffen door het virus, maar de sociale en economische impact treft vooral vrouwen. Als verzorgenden, als moeders, als werknemers en als ondernemers staan vrouwen in het hart van de crisis. Vrouwen behoren ook tot de meest kwetsbare groepen: er zijn meer arme vrouwen en vrouwen staan extra bloot aan partnergeweld. Het beleid moet rekening houden met deze genderdimensie. Hoe? In dit samenvattend artikel van een OESO verslag leest u er alles over.

Vrouwen staan in de frontlijn van de strijd tegen het COVID-19, dat wereldwijd economische en sociale schokken veroorzaakt en aan de gezondheid van duizenden mensen raakt. Bijna 70% van de werkenden in de gezondheidssector zijn vrouwen, waardoor ze extra kwetsbaar zijn voor het virus. Tegelijk dragen ze – omwille van bestaande genderongelijkheden op gebied van onbetaalde arbeid – ook thuis de grootste lasten: om kinderen te onderwijzen en op te vangen indien de scholen en instellingen voor kinderopvang gesloten zijn. Vrouwen lopen een hoger risico op geweld, op verlies van inkomen en op jobverlies en een verhoogd risico op uitbuiting en misbruik in tijden van crisis en quarantaine.

 
Het beleid moet een antwoord geven op deze kwesties en rekening houden met de bekommernissen van vrouwen. Regeringen moeten noodmaatregelen nemen om ouders bij te staan in hun werk en zorgverantwoordelijkheden en de maatregelen om vrouwen die slachtoffers zijn van geweld bij te staan, verbeteren. Ze moeten bestaande inkomensondersteunende maatregelen versterken en uitbreiden en de steun voor kleine bedrijven en zelfstandig werkenden uitbreiden. Het is van fundamenteel belang dat in elke beleidsrespons een genderperspectief geïntegreerd wordt en dat rekening gehouden wordt met de unieke behoeften, verantwoordelijkheden en perspectieven van vrouwen.
 
Hoe? In dit samenvattend artikel van een OESO verslag leest u er alles over. 

 

Download documenten :
Vrouwen in het hart van de strijd tegen de Covid-19 crisis
Deeltijds werk
De overheid en de sociale partners zijn deeltijds werk (gebaseerd op een deeltijdse arbeidsovereenkomst) in het begin van de jaren 1980 - een periode van hoge werkloosheid - sterk gaan uitbouwen om de jobs te herverdelen. Dit gebeurde vooral in sectoren waar veel vrouwen werkten. De ‘anderhalve job per gezin’ was volgens de overheid dé oplossing om gezin en werk beter te kunnen combineren en tegelijk konden de tewerkstellingscijfers wat opgekrikt worden.

 De gevolgen van deeltijds werk

De overheid en de sociale partners zijn deeltijds werk (gebaseerd op een deeltijdse arbeidsovereenkomst) in het begin van de jaren 1980 - een periode van hoge werkloosheid - sterk gaan uitbouwen om de jobs te herverdelen. Dit gebeurde vooral in sectoren waar veel vrouwen werkten. De ‘anderhalve job per gezin’ was volgens de overheid dé oplossing om gezin en werk beter te kunnen combineren en tegelijk konden de tewerkstellingscijfers wat opgekrikt worden.

In 1988 werkte 11% van de loontrekkenden deeltijds in België; 25,9% van de loontrekkende vrouwen en 2,1% van de loontrekkende mannen. In 2019 werkt 43,6% van de loontrekkende vrouwen deeltijds en 11,8% van de loontrekkende mannen. In Vlaanderen bedraagt het aandeel deeltijds werkende vrouwen 42,6% in 2019 en het aandeel deeltijds werkende mannen 9,9%.

In de menselijke gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en de horeca werkt meer dan de helft van de loontrekkenden deeltijds. 4/5de werken is momenteel het populairste deeltijdse regime bij zowel vrouwen als mannen, zowel in België als in Vlaanderen.

Het aandeel deeltijds werkenden in Vlaanderen in 2019 is het hoogst bij de 55-plussers. Het percentage is ook hoger bij lager dan bij hoger geschoolden; ook bij werkenden met hinder door handicap of langdurig gezondheidsprobleem. Bij de gezinsvormen is het aandeel deeltijds werkenden het hoogst bij alleenstaanden met kinderen (29,3%), gevolgd door koppels zonder kinderen (27,2%) en koppels met kinderen (26,7%).

Bronnen: Statbel.België in cijfers. Deeltijds werk (25 maart 2020); Statistiek Vlaanderen. Deeltijdarbeid (7mei 2020)

De belangrijkste redenen voor loontrekkende vrouwen om deeltijds te werken zijn in 2019 'zorg voor kinderen of afhankelijke personnen' (25%), gevolgd door 'andere persoonlijke of familiale redenen' (20,2%) en 'de gewenste job wordt enkel deeltijds aangeboden' (17,8%). Bij mannen zijn de voornaamste redenen: 'andere persoonlijke of familiale redenen' (13,3%), 'de gewenste job wordt enkel deeltijds aangeboden' (17,6%) en 'andere redenen' (11,8%). 10,2% van de deeltijds werkende mannen vindt geen voltijds werk

Bron: Statbel. Deeltijds werk. Actueel, 25 maart 2020

De Raad van de Gelijke Kansen voor Mannen en Vrouwen hield in het najaar van 2019 een enquête in vier sectoren in vier sectoren die een groot percentage deeltijdwerkers in dienst hebben. De handelssector heeft meer dan 50% vrouwen in dienst, waarvan 54% deeltijds. Het personeel in de woonzorgcentra bestaat voor 80% uit vrouwen, waarvan 67% deeltijds werkt. De schoonmaaksector biedt werk aan 85% vrouwen, waarvan 67% deeltijds. In het bank- en verzekeringswezen ten slotte, werkt 42% van de 53% vrouwen deeltijds (maar vooral 4/5). Het doel was om de redenen voor deeltijds werk te onderzoeken in de context van de exponentiële groei ervan. Een aanzienlijk deel van de respondenten zegt meer te willen werken. Maar het arbeidsaanbod is grotendeels structureel deeltijds. De respondenten ondervinden een toename van het werktempo, met als gevolg een toename van de zwaarte van het werk. 80% klaagt over de te veelvuldige urgenties, 75% betreurt dat ze geen kwaliteitsvol werk kunnen leveren en 5% is van mening dat hun gezondheid eronder lijdt. In verschillende getuigenissen wordt melding gemaakt van de onmogelijkheid om nog meer uren te werken door de flexibiliteit en de verhoogde werkdruk.

Bron: RGKMV Persbericht Enquête over het (on)vrijwillige karakter van deeltijds werk door vrouwen, 15/12/2020

Volgens het beginsel van non-discriminatie moet de deeltijdse werknemer voor een gelijk werk of voor een werk van gelijke waarde in verhouding hetzelfde loon ontvangen als de voltijdse werknemer. De manier waarop de federale overheid omgaat met deeltijds werk gaat in tegen de geest van de wetten van 23 juni 1981 en van 5 maart 2002 en de CAO nr.35 en 35bis. Deze teksten waarborgen de rechten van de deeltijdse werknemers proportioneel aan hun arbeidstijd.

Deeltijdse werknemers ontvangen een lager loon dan voltijdse werknemers omdat ze minder uren presteren, dat is logisch. Maar het blijkt dat het uurloon van een deeltijdse werknemer trager evolueert dan dat van een voltijdse werknemer. En niet enkel het uurloon ligt lager, de deeltijdse functies bevinden zich vooral in sectoren met lagere lonen (zoals in de distributiesector, de schoonmaak, horeca,…).

Daarnaast zijn er ook tal van onrechtvaardigheden bij deeltijdse werkloosheid. De RVA trekt vaak de werkbereidheid van ‘onvrijwillig deeltijdse werknemers’ in twijfel. Onderzoek toont aan dat slechts ca.10 % van de deeltijds werkenden niet op zoek is naar een voltijdse baan. Zelfs het combineren van twee deeltijdse banen blijkt weinig compatibel te zijn omdat de werkplaatsen en de uren te zeer verspreid liggen. Ook kan het ‘activeringsbeleid’ dat naar werk moet leiden gezinsonvriendelijk overkomen omdat de ideale omkadering nogal eens ontbreekt, zoals problemen met beschikbare kinderopvang, de plicht om  aangeboden werk dat ver van de woonplaats ligt te aanvaarden terwijl dit niet voor iedereen werkbaar of haalbaar is,…

De aanvullende werkloosheidsuitkering bovenop het deeltijds loon werd in het begin van de jaren 1980 gecreëerd voor werklozen die een deeltijdse baan aanvaardden om aan de werkloosheid te ontsnappen met de bedoeling om deeltijdse banen te promoten. Zonder die aanvulling had deeltijds werk immers geen succes. Later zijn dit de onvrijwillige deeltijdse werknemers geworden en heeft de aanvullende uitkering een andere naam gekregen, de zogenaamde inkomensgarantie-uitkering (IGU). Deze aanvullende uitkeringen zijn in de loop van de jaren sterk verlaagd. Steeds minder deeltijdse werknemers voldoen aan de strikter wordende voorwaarden om er recht op te hebben. Ook de huidige regering werkt verder aan de afkalving van de IGU.

De deeltijdse werknemer heeft recht op een gedeeltelijk pensioen. Maar deeltijds gewerkte dagen en gelijkgestelde periodes worden samengedrukt tot voltijds gewerkte dagen, dus minder gewerkte dagen. Volgens ons is dit een discriminatie omdat deeltijdse werknemers niet minder gunstig mogen behandeld worden dan voltijdse in een vergelijkbare situatie. Vooral vrouwen voldoen daardoor nog minder aan de voorwaarden om vervroegd met pensioen te kunnen.

De regering werkt in 2021 aan pensioenhervormingen. De loopbaanduur van de werknemers zal worden opgetrokken via maatregelen inzake eindeloopbaanregeling. Dat kan o.a worden gerealiseerd via het deeltijds pensioen, de zachte landingsbanen. Deeltijds pensioen zal bestaande regelingen (landingsbanen, loopbaanonderbreking, vervroegd pensioen) niet vervangen. Het is een aanvullende regeling bij het einde van de loopbaan. Het deeltijds pensioen wordt toegankelijk voor alle werkenden (werknemers, zelfstandigen en ambtenaren) die voldoen aan de voorwaarden voor het vervroegd pensioen.

Download documenten :
Federaal Vrouwenraadmemorandum 2019, p. 46-48.
Infodossier 2016 Drie decennia deeltijds werk
infofiche 2016 Drie decennia deeltijds werk en de gevolgen voor vrouwen
Inleiding deeltijds werk en de gevolgen voor vrouwen
Persbericht FSEP: Het sociaal akkoord over activering bij onvrijwillig deeltijdse arbeid met inkomensgarantieuitkering zet kwetsbare vrouwen in de kou
Interessante Links :
Open brief van het Feministisch Sociaal-Economisch Platform naar de RVA over de IGU
Degressiviteit werkloosheidsuitkeringen
Wanneer je werkloos wordt krijg je een uitkering die je verlies aan loon voor een stuk compenseert. Deze uitkering is een percentage van je laatst verdiende loon. Dit percentage daalt in fases naarmate je langer werkloos bent. Wanneer je gedurende een bepaalde periode werkloos bent wordt dat percentage vervangen door een forfaitair bedrag. De werkzoekende met gezinslast krijgt een hogere uitkering dan de alleenstaande. De samenwonende werkzoekende zonder gezinslast ontvangt een lagere werkloosheidsuitkering dan de alleenstaande.

De impact op vrouwen van degressiviteit  in werkloosheidsuitkeringen

Wanneer je werkloos wordt krijg je een uitkering die je verlies aan loon voor een stuk compenseert. Deze uitkering is een percentage van je laatst verdiende loon. Dit percentage daalt in fases naarmate je langer werkloos bent. Wanneer je gedurende een bepaalde periode werkloos bent, wordt dat percentage vervangen door een forfaitair bedrag. De samenwonende werkzoekende met gezinslast krijgt een hogere uitkering dan de alleenstaande. De samenwonende werkzoekende zonder gezinslast ontvangt een lagere werkloosheidsuitkering dan de alleenstaande.

In het verleden – al van in de jaren 1980 – stelde de vrouwenbeweging vast dat werkloze mannen het sterkst vertegenwoordigd waren bij de werkloosheidscategorie ‘gezinshoofden’ (achteraf omschreven als samenwonenden met gezinslast) en in die hoedanigheid een hogere werkloosheidsuitkering ontvingen. Vrouwen waren oververtegenwoordigd in de werkloosheidscategorie ‘samenwonende’ en ontvingen in dat statuut lagere werkloosheidsuitkeringen. Vrouwenorganisaties ervaarden dit als een onrechtvaardigheid en zelfs een indirecte discriminatie ten opzichte van vrouwen, temeer omdat vrouwen vóór ze in de werkloosheid terecht kwamen, procentueel en in verhouding evenveel hadden bijgedragen aan de sociale zekerheid als mannen. We benoemden dit ook als niet-ontvangen eigen rechten.

Al reeds een aantal jaren zijn vrouwen niet langer oververtegenwoordigd bij de categorie samenwonenden, ze maken er ongeveer de helft van uit. Op de indirecte discriminatie m/v hoeven we ons bijgevolg niet meer te focussen. Wel op het feit dat zowel vrouwen als mannen oververtegenwoordigd zijn in de categorie samenwonenden en daardoor lagere uitkeringen blijven ontvangen (in verhouding tot de samenwonende met gezinslast en de alleenwonende).Doorheen de jaren zijn de werkloosheidsuitkeringen degressiever geworden, enkel in de eerste periode is het niveau van de uitkeringen gestegen, zeker voor eerste half jaar. Maar dit leidt niet tot een voldoende mate van inkomensbescherming. De uitkeringsniveaus zijn laag, zowel in internationaal perspectief als voor de gezinstypes, en dit blijft ons storen. 

De Vrouwenraad wil een herziening van het degressiviteitsstelsel in de andere richting (geen versnelling), inclusief de afschaffing van de categorie samenwonende werkloze zonder gezinslast. Wij vragen ook een onderzoek/evaluatie van de impact op armoede voor vrouwen en mannen van de hervorming van de werkloosheidsreglementering.

 De Vrouwenraad wil:

  • een herziening van het degressiviteitsstelsel (geen versnellingen), uitkeringen boven de Europese armoedegrens en onze oude eis: de afschaffing van de categorie samenwonende werkloze zonder gezinslast;
  • een grondige analyse van de impact van de degressiviteit – systeem 2018 – op de gezinscategorieën maar ook vanuit een intersectioneel perspectief waarbij ministens de categorieën geslacht, leeftijd, maatschappelijke positie, handicap en herkomst worden meegenomen;
  • de opschorting van de degressiviteitsregels tijdens het moederschapsverlof.

Download documenten :
Vrouwenraaddossier degressiviteit werkloosheidsuitkeringen 2021
Infofiche degressiviteit werkloosheidsuitkeringen
Infodossier degressiviteit werkloosheidsuitkeringen
Interessante Links :
Heel wat vrouwen uitgesloten van werkloosheidsuitkeringen in 2015
Diplomagelijkschakeling hooggeschoolde allochtone vrouwen
Diplomagelijkschakeling hooggeschoolde allochtone vrouwen en Gelijkwaardig erkennen en valorisatie van buitenlandse kwalificaties (EVC) van hooggeschoolde allochtone vrouwen.

Diplomagelijkschakeling hooggeschoolde allochtone vrouwen

Diplomagelijkschakeling hooggeschoolde allochtone vrouwen en Gelijkwaardig erkennen en valorisatie van buitenlandse kwalificaties (EVC) van hooggeschoolde allochtone vrouwen.

De Vrouwenraad formuleerde in 2005 verschillende aanbevelingen aan de Vlaamse en Federale overheid over gelijkschakeling van buitenlandse diploma’s en het gelijkwaardig erkennen en valorisatie van buitenlandse competenties.
We vroegen de overheid om inspanningen te  doen om de diplomagelijkwaardigheid van buitenlandse diploma’s hoger onderwijs en het begeleiden naar werk op niveau voor hooggeschoolde allochtone vrouwelijke nieuwkomers, vrouwelijke vluchtelingen en asielzoeksters te bevorderen. Tegelijkertijd werd ook het probleem  aangekaart om tegemoet te komen aan de nood aan informatie, begeleiding en advies van de aanvragers en van begeleidende diensten. Extra-aandacht werd besteed aan de vraag om de erkenning van het artsendiploma doorzichtiger te maken. Naast de diplomagelijkwaardigheid gingen de aanbevelingen in de richting van het gelijkwaardig erkennen en valorisatie van buitenlandse
kwalificaties (EVC) van hooggeschoolde allochtone vrouwen. We vroegen ondermeer om de lijst 'titels van beroepsbekwaamheid’ genderneutraal te maken en bij de selectie van titels rekening te houden  met de competenties van hooggeschoolde allochtone vrouwen.

In het dossier van de Vrouwenraad kan u alle aanbevelingen nalezen:
Diplomagelijkschakeling hooggeschoolde allochtone vrouwen (pdf-91kb)

Download documenten :
Diplomagelijkschakeling hooggeschoolde allochtone vrouwen 2005
Discreet bevallen
De Vrouwenraad bevestigt zijn standpunt van 1998 over de invoering van een wettelijke regeling voor discreet bevallen of de ‘discrete erkenning’ en pleit ook voor een wettelijke regeling van het vondelingenluik.

Discreet bevallen

De Vrouwenraad bevestigt zijn standpunt van 1998 over de invoering van een wettelijke regeling voor discreet bevallen of de ‘discrete erkenning’ en pleit ook voor een wettelijke regeling van het vondelingenluik.

Een vrouw die net bevallen is en haar kind niet wil houden heeft de mogelijkheid om haar baby ter adoptie af te staan. Bij een open adoptie houdt ze nog contact met haar kind, bij een gesloten adoptie niet. Haar naam staat altijd in de geboorteakte.

Volgens de Vrouwenraad is er nood aan nieuwe mogelijkheden, namelijk discreet bevallen en discrete adoptie, en een wettelijke regeling van het vondelingenluik. Er zijn immers meisjes en vrouwen die geen hulp durven, willen of kunnen zoeken. Ze hebben vaak geen contact met het hulpverleningsmilieu. Ze zijn verward of angstig en kunnen daardoor niet naar een uitweg zoeken. Een anonieme, laagdrempelige oplossing zoals het vondelingenluik kan dan een laatste redmiddel zijn. Voor het vondelingenluik bestaat nu geen wettelijke basis. Een kind achterlaten in behoeftige toestand is strafbaar. De moeder (of de ouders) riskeert tot drie jaar cel, zelfs tien jaar als de baby sterft. Maar voor het vondelingenluik toont het parket wel begrip omdat het een veilige plaats is voor de baby. Of de moeder (wanneer ze geïdentificeerd wordt) uiteindelijk voor de rechter moet komen, wordt voor elk dossier apart bekeken. Het parket zal telkens rekening houden met de omstandigheden. Bijgevolg is het mogelijk dat dossiers geseponeerd worden. De Vrouwenraad pleit daarom voor een wettelijke regeling.

Een tweede mogelijkheid is discreet bevallen in combinatie met discrete adoptie. De aanvraag hiervoor zou dan gebeuren tijdens het verblijf van de moeder in het ziekenhuis en de discrete adoptieprocedure zelf start al bij het ontslag van de moeder, in tegenstelling tot de klassieke adoptieprocedure die ten vroegste twee maanden na de geboorte van het kind aanvangt. Ons voorstel houdt in dat de biologische moeder tot uiterlijk drie maanden na ontslag uit het ziekenhuis haar toestemming voor de adoptieprocedure kan intrekken.

Wanneer discrete bevalling en het vondelingenluik wettelijk geregeld zouden worden doet de moeder bij discreet bevallen geen geboorteaangifte en staat haar naam niet in de geboorteakte vermeld. Die wordt wel geregistreerd in een register voor discrete bevallingen. Wanneer ze haar baby in het vondelingenluik legt, moet de moeder haar identiteit niet bekendmaken (ze kan wel een kenteken meenemen dat bevestigt dat zij degene was die het kindje achterliet).

Download documenten :
Discreet bevallen-2012
Interessante Links :
Vrouwenraad wil vondelingenluik wettelijk regelen
Draag- en leenmoederschap
Ook al is er vraag naar, toch is draag/leenmoederschap in ons land (nog) niet bij wet geregeld. Er is evenmin een verbod. Bijgevolg zien wensouders en draag/leenmoeders zich verplicht om naar de grijze zone uit te wijken. Als beide partijen zich aan de overeenkomst houden, is er weinig tot niets aan de hand. Maar er zijn genoeg voorbeelden van gevallen waar het misliep. De draag/leenmoeder kan bijvoorbeeld de situatie commercieel uitbuiten of beslissen het kind zelf te houden. De wensouders kunnen zich terugtrekken, in geval van (echt)scheiding of na het overlijden van één van beiden.

Draag- en leenmoederschap

Standpunt 21 februari 2011

Ook al is er vraag naar, toch is draag/leenmoederschap in ons land (nog) niet bij wet geregeld. Er is evenmin een verbod. Bijgevolg zien wensouders en draag/leenmoeders zich verplicht om naar de grijze zone uit te wijken. Als beide partijen zich aan de overeenkomst houden, is er weinig tot niets aan de hand. Maar er zijn genoeg voorbeelden van gevallen waar het misliep. De draag/leenmoeder kan bijvoorbeeld de situatie commercieel uitbuiten of beslissen het kind zelf te houden. De wensouders kunnen zich terugtrekken, in geval van (echt)scheiding of na het overlijden van één van beiden.

  • Wat is draag/leenmoederschap?

Draagmoeder en leenmoeder zijn geen identieke begrippen. Bij de eerste wordt één van haar eigen eicellen bevrucht met het zaad van de wensvader of een donor. De draagmoeder is dus genetisch verwant met het kind. Bij een leenmoeder wordt een in-vitro bevruchte eicel van meestal de wensmoeder ingeplant.
Draag/leenmoeders hebben de intentie het kind na de geboorte af te staan aan de wensouder(s).
Een draag- of leenmoeder draagt dus een kind voor iemand anders, brengt het op de wereld en geeft het na de geboorte aan de vragende partij, die alle onkosten van de (eventuele) technische ingreep, de zwangerschap en de bevalling vergoedt.

  • Raakpunten met het Belgisch recht

Het afstammingsrecht gaat uit van het principe dat de moeder altijd gekend is want dat staat in de geboorteakte. De draag/leenmoeder is bij de geboorte van het kind automatisch de juridische moeder. Om niet strafbaar te zijn (door bijvoorbeeld een valse geboorteaangifte te doen), kan de draag/leenmoeder anoniem gaan bevallen in Frankrijk. Wensouders gaan ook via internet op zoek naar draagmoeders in het buitenland. Na de geboorte kan het statuut van het kind ten opzichte van de wensouders geregulariseerd worden via adoptie.
Zowel de draag/leenmoeder als de wensouders bevinden zich wettelijk gezien in een onzekere situatie. Een wet die draag- en leenmoederschap regelt is dus zeker aangewezen.

  • Wat zegt de Vrouwenraad?

Zoals uiteengezet in het standpunt van 2001, aanvaardt de Vrouwenraad het principe van draag- en leenmoederschap op voorwaarde dat de wensouders op geen enkele andere manier met het genetisch materiaal van ten minste één van beiden een kind kunnen krijgen.
Wij vragen een wettelijke regeling voor zowel de draagmoederovereenkomst als de afstamming plus een verbod op commercieel draagmoederschap.
Bij dit alles primeert het belang van het kind. Het kind is in deze procedure immers de zwakste schakel.
Ten slotte moeten ook holebi's toegang krijgen tot deze reproductieve techniek.

Draagmoeders
Toen de Vrouwenraad in 2001 een standpunt innam over draag- en leenmoederschap was er van internationale handel nog niet veel sprake. Draagmoeders waren bij ons vaak ‘de zus of de vriendin van’.

Draagmoeders

Toen de Vrouwenraad in 2001 een standpunt innam over draag- en leenmoederschap was er van internationale handel nog niet veel sprake. Draagmoeders waren bij ons vaak ‘de zus of de vriendin van’.

De vraag neemt al een aantal jaren wereldwijd toe. Bij ons is draag/leenmoederschap (nog) niet bij wet geregeld. Er is evenmin een verbod. Bijgevolg zien wensouders en draag/leenmoeders zich verplicht om naar de grijze zone uit te wijken. Als beide partijen zich aan de overeenkomst houden, is er weinig of niets aan de hand. Maar er zijn genoeg voorbeelden van gevallen waar het misliep. De draag/leenmoeder kan bijvoorbeeld de situatie commercieel uitbuiten of beslissen om het kind zelf te houden. De wensouders kunnen zich terugtrekken in geval van (echt)scheiding of na het overlijden van één van beiden of wanneer blijkt dat de baby een beperking heeft,…

De politieke en publieke debatten laaien steeds weer op naar aanleiding van bepaalde gebeurtenissen zoals bijvoorbeeld de case ‘baby Donna’ (sinds 2005), de commerciële draagmoederbeurs van begin mei 2015 in Brussel (ingericht door Amerikaanse klinieken - in Amerika is draagmoederschap wettelijk en gereglementeerd).

In deze en ook vorige  legislaturen zijn  wetsvoorstellen ingediend om (vormen van) draagmoederschap wettelijk te regelen. Tot nu toe zonder resultaat.

De Vrouwenraad aanvaardt het principe van draag- en leenmoederschap op voorwaarde dat de wensouders op geen enkele andere manier met het genetisch materiaal van ten minste één van beiden een kind kunnen krijgen. Wij vragen een wettelijke regeling voor zowel de draagmoederovereenkomst als de afstamming plus een verbod op commercieel draagmoederschap.
Bij dit alles primeert het belang van het kind. Het kind is in deze procedure immers de zwakste schakel. Ook moet rekening gehouden worden met de belangen van de wensouders en de draagmoeder.

Er zijn ook (vrouwen)organisaties die draagmoederschap volledig willen uitbannen, ook de niet-commerciële vorm : Stop Surrogacy Now – Worldwide Coalition to end surrogacy and the exploitation of women and children (gelanceerd op 11 mei 2015).

Meer info over de regelgeving in EU-Lidstaten lees je in het EP-rapport "A Comparative Study on the Regime of Surrogacy in EU Member States (2013) en in de EP Briefing Regulating international surrogacy arrangements - state of play (2016)

 

Download documenten :
Draag- en leenmoederschap 2001
Interessante Links :
Draag- en leenmoederschap, standpunt 21 februari 2011
Geboortegeweld of obstetrisch geweld
Geboortegeweld of (de wetenschappelijke term) obstetrisch geweld komt wereldwijd voor, ook bij ons. Dat weten we door getuigenissen van vrouwen en vaststellingen van onderzoekers in verschillende landen.

Geboortegeweld of obstetrisch geweld

Geboortegeweld of (de wetenschappelijke term) obstetrisch geweld komt wereldwijd voor, ook bij ons. Dat weten we door getuigenissen van vrouwen en vaststellingen van onderzoekers in verschillende landen. Het kan gaan om fysiek, verbaal en psychisch geweld of stigmatisering en discriminatie vanwege het zorgpersoneel tegenover vrouwen die gaan bevallen maar het heeft ook een dimensie op gezondheids- en beleidsniveau.

Het Vrouwenraaddossier verkent het fenomeen geboortegeweld en legt een focus op aanbevelingen van internationale instanties zoals de Wereldgezondheidsorganisatie, de VN-rapporteur over geweld tegen vrouwen, de Europese Commissie en het Europees Parlement.

In verschillende landen ontstaan sociale bewegingen/digitale platforms die rechten vragen voor vrouwen op het vlak van reproductieve gezondheid en rechten, ook tijdens het geboorteproces.

Het is onze bedoeling om de herkenning van obstetrisch geweld op de beleidsagenda te zetten om tot erkenning en maatregelen te komen.

Download documenten :
Vrouwenraaddossier obstetrisch geweld
Geboorteverlof
Het federaal regeerakkoord van 2020 voorziet de hervorming van de verlofstelsels voor ouders zodat er een evenwichtigere verdeling mogelijk wordt tussen mannen en vrouwen bij de opvang van en de zorg voor kinderen. Het geboorteverlof zal stapsgewijs uitgebreid worden van 10 naar 20 dagen. Alle types werknemers moeten in staat zijn het recht ook effectief op te nemen (bv. uitzendarbeid en korte tijdelijke contracten, ...).

Werknemers - Geboorteverlof verschuift van 10 naar 20 dagen

Het federaal regeerakkoord van 2020 voorziet de hervorming van de verlofstelsels voor ouders zodat er een evenwichtigere verdeling mogelijk wordt tussen mannen en vrouwen bij de opvang van en de zorg voor kinderen. Het geboorteverlof zal stapsgewijs uitgebreid worden van 10 naar 20 dagen. Alle types werknemers moeten in staat zijn het recht ook effectief op te nemen (bv. uitzendarbeid en korte tijdelijke contracten, ...).

Het aantal dagen geboorteverlof wordt in twee fases opgetrokken tot 20 dagen in 2023.

Sinds 1 januari 2021 kunnen vaders en meeouders 15 dagen geboorteverlof opnemen  opnemen en vanaf 1 januari 2023 komen er nog eens 5 dagen bij. Het geboorteverlof zal dan 20 dagen bedragen.

De werknemer (uit de privé-sector en het contractuele personeelslid in overheidsdienst) kan deze dagen vrij kiezen binnen vier maanden te rekenen vanaf de dag van de bevalling. Dit hoeft niet in één keer maar kan naar keuze van de werknemer, gespreid over de periode van vier maanden vanaf de bevalling. De dag van de bevalling geldt als eerste dag van die periode van vier maanden. In geval van geboorte van een tweeling of een meerling worden de dagen geboorteverlof slechts 1 maal toegekend.

Tijdens de eerste drie dagen van het geboorteverlof behoudt de werknemer zijn volledige loon ten laste van zijn werkgever. Om recht te hebben op dit loon dient de werknemer de werkgever vooraf te verwittigen van de bevalling. Blijkt dat niet onmiddellijk mogelijk, dan moet de werknemer de werkgever zo spoedig mogelijk verwittigen. Tijdens de volgende dagen van het geboorteverlof ontvangt de werknemer geen loon maar een uitkering toegekend via de uitbetalingsinstellingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (ziekenfondsen). Het bedrag van deze uitkering is vastgelegd op 82% van het gederfde brutoloon.

Meer info: RIZIV Vaderschaps- of geboorteverlof voor werknemers

Vaderschapsverlof bestaat sinds 1 januari 2002 en sinds 20 mei 2011 heeft ook de meeouder, dit is de werknemer die geen wettelijke afstammingsband heeft met het pasgeboren kind van zijn partner, onder bepaalde voorwaarden op dezelfde manier als een vader, recht op ‘geboorteverlof’ wanneer de partner bevalt. Vanaf 30 juli 2011 genieten werknemers die gebruik (willen) maken van hun recht op geboorteverlof, onder bepaalde voorwaarden van een ontslagbescherming.

Enkele cijfers 

Tabel: Het aantal begunstigden, het aantal vergoede dagen en het gemiddeld aantal dagen per vaderschapsverlof of geboorteverlof voor de jaren 2015 tot 2018  

   Aantal begunstigden  Aantal dagen  Gemiddeld aantal dagen
 2015      56.601  387.237  6,84
 2016  56.036  382.547  6,83
 2017  55.314  371.326  6,82
 2018  54.422  371.078  6,82
Bron: QRVA 55 010, p. 95-96

Het aantal vermelde dagen stemt overeen met het aantal dagen die ten laste vallen van de uitkeringsverzekering.

Tabel: Het aantal uitgekeerde dagen, uitgekeerde bedragen en gemiddelde dagelijkse uitkering vaderschapsverlof 2013-2017

   Aantal vergoede dagen  Gemiddelde dagelijkse uitkering  Gemiddelde dagelijkse uitkering moederschapsrust
 2013         394.920  98,44  61,69
 2014  385.931  99,23  62,03
 2015  387.237  99,12  62,41
 2016  382.547  100,28  64,18
 2017  377.326  100,88  65,19
 Bron: RIZIV Werknemers en werklozen - Aantal vergoede dagen in het kader van de moeder- of vaderschapsbescherming, uitgekeerde bedragen en gemiddelde dagelijkse uitkering - Evolutie 2013-2017

We noteren de uitkeringskloof moederschapsrust-geboorteverlof.

EU-richtlijn

De Richtlijn (EU) 2019/1158 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers en tot intrekking van Richtlijn 2010/18/EU van de Raad verplicht vaderschapsverlof (verlof voor vaders of, mits en zover erkend in het nationale recht, voor gelijkwaardige tweede ouders, ter gelegenheid van de geboorte van een kind met het oog op zorgverlening) in elke lidstaat. Het vaderschapsverlof moet rond het tijdstip van de geboorte van het kind worden opgenomen en moet duidelijk aan de geboorte gekoppeld zijn met het oog op het verstrekken van zorg. De lidstaten kunnen ook vaderschapsverlof toekennen in geval van een doodgeboorte. Elke lidstaat moet zelf bepalen of een deel van het vaderschapsverlof vóór de geboorte van het kind kan worden opgenomen of dat het volledig daarna moet worden opgenomen. Ook moeten de lidstaten de termijn bepalen waarbinnen vaderschapsverlof moet worden opgenomen en aangeven of en onder welke voorwaarden vaderschapsverlof deeltijds, in afwisselende perioden van bijvoorbeeld een aantal achtereenvolgende verlofdagen onderbroken door perioden van werk, of op andere flexibele manieren kan worden opgenomen. De lidstaten kunnen nader bepalen of vaderschapsverlof wordt uitgedrukt in werkdagen, weken of andere tijdseenheden, rekening houdend met het feit dat tien werkdagen overeenkomen met twee kalenderweken. Om rekening te houden met de verschillen tussen de lidstaten, moet het recht op vaderschapsverlof worden toegekend ongeacht de burgerlijke staat of gezinssituatie volgens het nationale recht. Het recht op vaderschapsverlof wordt niet afhankelijk gesteld van een werk- of anciënniteitsperiode. De lidstaten moeten ook een betalings- of uitkeringsniveau vaststellen voor de minimumperiode van vaderschapsverlof dat minstens even hoog is als de nationale uitkering bij ziekte. Aangezien het doel van vaderschapsverlof en moederschapsverlof hetzelfde is, namelijk het creëren van een band tussen de ouder en het kind, worden de lidstaten aangemoedigd om voor vaderschapsverlof te voorzien in een betaling of uitkering dat gelijk is aan de betaling of uitkering waarin op nationaal niveau voor moederschapsverlof is voorzien.

De Vrouwenraad vroeg al geruime tijd de uitbreiding van het geboorteverlof van tien naar twintig dagen, een eis die ingewilligd wordt. Rest enkel nog onze aanbeveling: aan 100% betaald net zoals we dat al jaren vragen voor het moederschapsverlof.

Ook zelfstandigen van 10 naar 20 dagen

Sinds 1 mei 2020 hadden zelfstandigen die vader of meeouder werden recht op 10 dagen vaderschaps- of geboorteverlof. Voorwaarde hiervoor is dat hun sociale bijdragen voor de refertekwartalen - de twee kwartalen voorafgaand aan het kwartaal van de geboorte - betaald zijn of vrijgesteld werden door het RSVZ

Net zoals bij werknemers komen er stapsgewijs meer dagen geboorteverlof bij: 15 dagen vanaf 1 januari 2021 en 20 dagen vanaf 1 januari 2023.

Dit recht is in principe beperkt tot zelfstandigen in hoofdberoep en meewerkende echtgenoten in het maxistatuut.

Er gelden nog bijkomende voorwaarden:

  • De wettelijke afstamming moet vaststaan. Bij ongehuwde partners moet de vader of meeouder daarom het kind erkennen.
  • Staat de afstamming niet vast, dan moet de vader of meeouder inwonen bij een persoon met wie de afstamming wél vast staat en bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
  • Feitelijk samenwonende koppels bij wie de afstamming niet vaststaat, moeten op het moment van de geboorte minstens drie jaar samenwonen om recht te hebben op vaderschapsverlof of geboorteverlof.

De uitkering bedraagt 83,26 euro per verlofdag (41,63 euro voor een halve dag), wat neerkomt op 1.248,90 euro in totaal.

Het vaderschaps- of geboorteverlof is flexibel: je kiest zelf wanneer je een volledige of een halve dag verlof opneemt. Het moet niet om aaneengesloten dagen gaan. Dat kan tot uiterlijk vier maanden na de geboorte.

Voor de opname van het verlof zijn er volgende mogelijkheden: 15 volle dagen, 30 halve dagen of afwisselend halve en volle dagen. Minder dan 15 dagen verlof opnemen is ook mogelijk. Wie maximum 8 dagen (of 16 halve dagen) verlof opneemt, kan aanspraak maken op een bijkomende uitkering van 135 euro. Die uitkering is eigenlijk een terugbetaling van de aankoop van 15 dienstencheques.  Deze dienstencheques kan je onder meer gebruiken voor huishoudelijke hulp: schoonmaken, wassen, strijken, boodschappen doen, maaltijden bereiden, ...

Zie ook Vrouwenraaddossier Stavaza Vaderschapsverlof en geboorteverlof 2016 met oudere cijfers

Download documenten :

Gelijkekansen
Onder druk van de vrouwenbeweging waarbij ook de Vrouwenraad een actieve rol speelde kunnen we ‘gelijke kansen’ in ons land (en ook internationaal) vandaag als een bevoegdeid beschouwen die op elk beleidsniveau aan de orde is: federaal, regionaal, provinciaal, steden en gemeenten.

Gelijkekansen

Onder druk van de vrouwenbeweging waarbij ook de Vrouwenraad een actieve rol speelde kunnen we  ‘gelijke kansen’ in ons land (en ook internationaal)  vandaag  als een bevoegdheid beschouwen  die op elk beleidsniveau aan de orde is: federaal, regionaal, provinciaal, steden en gemeenten.

De Vrouwenraad formuleert naar aanleiding van elke wetgevende verkiezing aanbevelingen in zijn verschillende memoranda en het gelijkekansenbeleid krijgt hierbij prioritaire aandacht. Nadien toetsen we op geregelde tijdstippen de beleidnota’s en beleidsbrieven met betrekking tot het gelijkekansenbeleid af aan deze memoranda.

Voor een  overzicht van de historiek en de structuur van het gelijkekansenbeleid raden we je aan om eens te gaan grasduinen  op de website van RoSa Kenniscentrum voor gender en feminisme bij het rubriek ‘kwesties’/gelijkekansenbeleid. Op de website van het kenniscentrum Amazone kan je actueel nieuws vernemen over  wat de overheid in petto heeft inzake gelijke kansen v/m.

Download documenten :
Vlaams Vrouwenraadmemorandum 2019
Federaal Vrouwenraadmemorandum 2019, p. 9-26
Beleidsbrief Gelijke Kansen 2016-2017. Gewikt en gewogen Enkele aandachtspunten voor het Vlaamse Gelijkekansenbeleid m.b.t. gendergelijkheid november 2017
Beleidsbrief 2015-2016.Gewikt en gewogen. Enkele aandachtspunten voor het Vlaamse Gelijkekansenbeleid mbt gelijkheid m/v
Vlaams regeerakkoord. Een gendertoets
Cruciale Hefbomen 'gelijke Kansen in Vlaanderen' 10 gemeenschappelijke suggesties van GRIP, Ella, Furia, çavaria en de Vrouwenraad voor gelijke kansen in Vlaanderen
Beleidsnota Gelijke Kansen 2014-2019. Gewikt en gewogen. Enkele aandachtspunten voor het Vlaamse Gelijkekansenbeleid
fem_lab_2018_application_form
Interessante Links :
Persbericht: Gendergelijkheid bij de Vlaamse overheid terug naar af?
Gelijkgestelde periodes
De beroepsloopbaanonderbrekingen van werknemers en de daaraan gekoppelde gelijkgestelde dagen/periodes (in het kader van de opbouw van socialezekerheidsrechten) zijn volgens de Vrouwenraad onrechtvaardig, ondoorzichtig en ‘bric à brac’.

Gelijkgestelde periodes

De beroepsloopbaanonderbrekingen van werknemers en de daaraan gekoppelde gelijkgestelde dagen/periodes (in het kader van de opbouw van socialezekerheidsrechten) zijn volgens de Vrouwenraad onrechtvaardig, ondoorzichtig en ‘bric à brac’.

Stel: je moet of je wil je loopbaan tijdelijk of gedeeltelijk onderbreken. Daarvoor bestaat een reeks mogelijkheden. Ter compensatie ontvang je een socialezekerheidsuitkering en/of een premie. Dat is wat men noemt een sociaal voordeel (vervangingsuitkering). Het sociaal voordeel is soms het volledig loon, vaak een percentage van het loon (bv. van het gemiddeld dagloon, het onbegrensde bruto-uurloon, het begrensde brutodagloon...) of een forfaitair bedrag. De onderbrekingsperiodes tellen bovendien mee bij de bepaling van de duur van de loopbaan en bij de berekening van het pensioenbedrag.

De periodes van beroepsinactiviteit zijn gekoppeld aan:

  • de zogenaamde echte sociale risico's (de onvrijwillige en deze die eigen zijn aan arbeid): de ziekte- en invaliditeitsverzekering, werkloosheid, beroepsziekten, arbeidsongevallen, pensioenen. De problematiek van discriminaties situeert zich hier op het vlak van de individuele en afgeleide rechten. Deze aspecten komen aan bod in een apart Vrouwenraaddossier  Individuele rechten in de sociale zekerheid 2011;
  • zwangerschap, het kersverse moederschap, vaderschap en meemoederschap, adoptie;
  • de keuze die je maakt voor een betere combinatie van job, gezin, voor zorg, … (ouderschapsverlof, tijdskrediet, palliatief verlof, …)

In ons uitgebreid dossier van 2011 gingen we na welke de gelijkgestelde periodes zijn in de diverse socialezekerheidssectoren en hoe het beleid ermee omgaat.
Uit de analyse konden we besluiten dat de gelijkgestelde periodes op verschillende momenten in het verleden en vanuit verschillende invalshoeken tot stand gekomen zijn. De doelstellingen zijn verschillend, net als de variabelen (sekse, leeftijd, sociaal statuut, ...) en de sociale voordelen. Globaal gezien nemen meer vrouwen dan mannen onderbrekingen, met alle gevolgen voor hun inkomen.
Voor de Vrouwenraad is het bijvoorbeeld niet logisch dat wanneer je kinderen krijgt (moederschapsrust) je geen recht meer hebt op 100 % loon. Het gaat ook niet op dat er bij de berekening van de uitkeringen voor moederschaps- en vaderschapsrust verschillende percentages en loonbegrenzingen worden toegepast.

We moeten ons afvragen hoe de sociale doelstelling van de onderbrekingen en de gelijkgestelde dagen/periodes moet ingevuld worden om optimale resultaten te bereiken, rekening houdend met de genderinvalshoek, de armoedeproblematiek en het rechtvaardigheidsbeginsel.

Het Federaal Planbureau heeft in juni 2016 een rapport gepubliceerd over het belang en de samenstelling van gelijkgestelde periodes in de drie pensioenstelsels op vraag van de strategische cel van de Minister van Pensioenen. Het blijkt dat respectievelijk 30 % en 37 % van de pensioenopbouw van mannen en vrouwen, die recent met pensioen gingen in het werknemersstelsel, wordt gelijkgesteld. In het zelfstandigenstelsel bedraagt dit aandeel respectievelijk 3 % en 5 %. In het stelsel van de ambtenaren is zo’n 10 % van de pensioenopbouw gelijkgesteld. De beschikbare cijfers laten belangrijke verschillen zien in het belang van de gelijkgestelde pensioenopbouw van recent gepensioneerden. Omwille van de eigenheid van de drie stelsels en de onderscheiden administratieve praktijken, zijn deze verschillen tussen de stelsels echter moeilijk interpreteerbaar.

De identificeerbare gelijkgestelde periodes bij werknemers bestaan volgens het Planbureau voornamelijk uit werkloosheid (respectievelijk 24 % en 42 % gelijkstelling bij mannen en vrouwen), werkloosheid met bedrijfstoeslag (23 % en 7 %) en arbeidsongeschiktheid (ziekte en invaliditeit, beroepsziekten en arbeidsongevallen) (14 % en 13 %). Minder belangrijke gelijkgestelde periodes zijn loopbaanonderbreking en tijdskrediet, niet‐gewerkte periodes van deeltijdse werknemers met behoud van rechten en legerdienst.
Bij recent gepensioneerde zelfstandigen is een gedetailleerd onderscheid naar type gelijkstelling wel mogelijk. De belangrijkste gelijkgestelde periode is ziekte en invaliditeit (47 % bij mannen, 86 % bij vrouwen), gevolgd door gelijkstelling van studieperiodes (respectievelijk 41 % en 14 %) en gelijkstelling van legerdienst (12 % bij mannen).
Bij recent gepensioneerde ambtenaren bestaat het belangrijkste aandeel van de gelijkgestelde periodes, die niet gelijkgesteld worden aan werkelijke diensten, uit een amalgaam van onbezoldigde of deels bezoldigde afwezigheden die statuut‐specifiek zijn. Deze verschillende gelijkstellingen worden in de beschikbare gegevens niet verder onderscheiden naar type.

De regering 2014-2019 stond voor een sterke band tussen gewerkte periodes en het pensioen. Dat leidt soms tot een afbouw van de gelijkgestelde periodes.

 Realisaties van de regering 2014-2019:

  • Gemotiveerd tijdskrediet en loopbaanonderbreking en thematische verloven worden volledig en aan het laatst verdiende loon gelijkgesteld.
  • De gelijkstelling voor niet-gemotiveerd tijdskrediet en loopbaanonderbreking is afgeschaft.
  • De gelijkstelling en het recht voor het gemotiveerd tijdskrediet wordt uitgebreid met maximum 12 maanden (tot maximum 51 weken) als het opgenomen wordt voor de volgende motieven:
  • zorgen voor zijn kind(eren) jonger dan 8 jaar;
  • palliatieve zorgen;
  • zorgen voor een zwaar ziek gezins- of familielid;
  • zorgen voor zijn gehandicapte kind dat jonger is dan 21 jaar;
  • zorgen voor zijn minderjarig zwaar ziek kind of een minderjarig zwaar ziek kind dat deel uitmaakt van het gezin.
  • Met de aanpassing in het KB van 19 december 2017 tot wijziging van artikel 24bis en artikel 34 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers wil de regering arbeid beter belonen in de pensioenregeling voor werknemers. Voor volgende gelijkgestelde perioden: onvrijwillige werkloosheid, brugpensioen, stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag en pseudo brugpensioen is ervoor gekozen om het pensioen niet altijd meer te berekenen op basis van het normaal fictief loon, maar in bepaalde gevallen op basis van het referteloon dat als basis dient om het minimumrecht per loopbaanjaar te berekenen. Dit gebeurt enkel wanneer het referteloon lager ligt dan het normaal fictief loon. Wanneer het normaal fictief loon lager ligt dan het referteloon, wordt het pensioen berekend op het normaal fictief loon. Het aantal gelijkgestelde dagen bij een periode van werkloosheid of brugpensioen wordt beperkt tot 1 jaar op de volledige loopbaan.

De Vrouwenraad blijft bekommerd over de gevolgen van een toekomstige ‘verdere harmonisatie’ van de gelijkstellingen en is nog steeds vragende partij voor een maatschappelijk debat.

De Vrouwenraad vraagt:

  • Aan de betrokken actoren (parlementaire commissies, ministers, sociale partners, academici in socialezekerheidsrecht) om samen met de vrouwenbeweging en de Raad van gelijke kansen voor mannen en vrouwen na te denken over hoe het systeem rechtvaardiger en doelmatiger te maken. Kan dit door het huidige systeem aan te passen en de onderbrekingsperiodes te hergroeperen? Of kunnen er nog nieuwe verlofregelingen  bijkomen (bijvoorbeeld een grootouderverlof voor zorg voor kleinkinderen? Of kunnen de werktijdenregelingen van de werknemers aangepast worden op maat van de werknemers? Biedt een kortere werkweek van 30u de geschikte oplossing?...
  • Niet meer te tornen aan het tijdskrediet. De uitkeringen moeten voldoende hoog zijn en de onderbreking volledig gelijkgesteld blijven.
  • Er zijn sinds 2012 ook meer loopbaanjaren vereist voor de toegang tot eindeloopbaanstelsels: vrouwen hebben het moeilijker dan mannen om aan die voorwaarden te voldoen. Het aantal loopbaanjaren mag in dit opzicht niet verhoogd worden.
  • Niet meer te raken aan de reeds opgebouwde pensioenrechten inclusief de gelijkgestelde periodes van de huidige werknemers.
  • Een billijke berekening van de gelijkgestelde periodes.

 

 

 

 

Download documenten :
Federaal Vrouwenraadmemorandum uitgebreide versie 2019, p. 79-81
Gelijkgestelde periodes in de sociale zekerheid 2011
Vrouwenraadstandpunt Gelijkgestelde periodes 2011
Gemeentelijk-Gelijkekansenbeleid
Maak werk van gelijke kansen in uw gemeente. Omdat iedereen telt!

Maak werk van gelijke kansen in uw gemeente.

Omdat iedereen telt!

1. Gelijke kansen is een bevoegdheid
Een lokaal gelijkekansenbeleid v/m kan niet werken zonder een schepen bevoegd voor deze materie en een ondersteunende ambtenaar. Een actieplan voor gelijke kansen, over alle gemeentelijke beleidsdomeinen heen en opgesteld in overleg met het (vrouwen)middenveld, gaat vergezeld van een deftig werkingsbudget.

“Gemiddeld heeft meer dan de helft van de Vlaamse gemeenten geen schepen van Gelijke Kansen!”

2. Degelijke opvang voor kinderen van alle leeftijden
Lokale besturen hebben alle troeven in handen om het recht op opvang mee te realiseren. Maak werk van een toegankelijke, betaalbare,  kwaliteitsvolle én genderbewuste opvang voor baby’s, peuters en schoolkinderen. Zorg voor een laagdrempelig loket.

3. Een genderbewuste school voor iedereen
Met genderbewust onderwijs start men best al in de kleuterklas. Tegen de tijd dat de jongens en meisjes in het secundair onderwijs terechtkomen, is de basis gelegd.

4. Steun voor mantelzorgers
Zorg voor voldoende opvang en premies op maat van de mantelzorger. Voor meer tijd en zwaardere zorg mag de premie best wat hoger liggen. Een lokaal mantelzorgbeleid moet ook de mantelzorgers zelf erkennen, bijvoorbeeld door jaarlijks een ontmoetingsdag te organiseren.

5. Sport en vrije tijd voor iedereen
De wensen van kinderen en jongeren mogen niet botsen met de realiteit. Maak daarom werk van gendergelijkheid in de sport, en ook in het verenigingsleven.

6. Degelijke huisvesting voor vluchtelingen, alleenstaanden en ouders in armoede
Alleenstaanden en ouders in armoede kunnen vaak moeilijk aan een degelijke woonst geraken. Voor (vrouwelijke) vluchtelingen is de situatie schrijnend. Voorzie voldoende onthaalwoningen en richt een sociaal verhuurkantoor op.

7. Een mobiliteitsplan voor alle burgers
Een gendervriendelijk mobiliteitsbeleid steunt op de inzichten in de verplaatsingsbehoeften (boodschappen/vrije tijd/woon-werkverkeer) van heel de bevolking, zowel vrouwen als mannen. Openbare diensten moeten vlot bereikbaar en voor iedereen toegankelijk zijn.

8. V/M/X in de openbare ruimte

  • Zorg voor genoeg openbare toiletten en rust ze uit met luiertafels,  toegankelijk voor  iedereen (V/M/X).
  • Creëer een veilige omgeving, zowel ’s nachts als overdag. Lichtplannen kunnen hierbij helpen!
  • Maak vrouwen zichtbaar in de straatnamen en monumenten.

9.  Geen geweld op vrouwen
25 november is de Internationale dag tegen Geweld op Vrouwen (Orange Day). Kies voor een preventieve of een sensibiliserende actie, zoals bijvoorbeeld de gevel van het stadhuis die ’s avonds oranje kleurt.

10.  Waakzaamheid voor de link tussen mensenhandel en prostitutie
Breng de prostitutie op jullie grondgebied in kaart, maak de mogelijkheden om eruit te stappen bekend en bestrijd souteneurschap, geweld en uitbuiting.

 

Download documenten :
De lokale uitvoering van Agenda 2030 vanuit genderperspectief
10 punten voor een goed lokaal gelijkekansenbeleid
Memorandum lokale verkiezingen 2017
Gender en sociale bescherming van personen met een handicap
Er worden meer jongetjes dan meisjes geboren met een aangeboren afwijking. Naarmate de kinderen ouder worden groeit het verschil nog meer tussen jongens en meisjes en dit doorheen het kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs:jongens zijn in de meerderheid, nadien ook nog de volwassenen mannen.

Er worden meer jongetjes dan meisjes geboren met een aangeboren afwijking. Naarmate de kinderen ouder worden groeit het verschil nog meer tussen jongens en meisjes en dit doorheen het kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs: jongens zijn in de meerderheid, nadien ook nog de volwassenen mannen.

Maar er komt ergens een kantelmoment. We zien dat het aantal vrouwen met een handicap/beperkingen het aantal mannen in absolute cijfers overstijgt vanaf de leeftijd van 50 jaar en dit aanzienlijk tussen 80 en 90 jaar. Vrouwen zijn in die oudere leeftijdsgroepen dan ook wel in de meerderheid maar in verhouding tot mannen zijn er ook meer vrouwen die met beperkingen moeten leven.

Uit onderzoeken blijkt dat vrouwen in de oudere leeftijdsgroepen meer worden geconfronteerd met degeneratieve beperkingen terwijl mannen meer letsel-gerelateerde beperkingen ervaren.

Mensen met een handicap krijgen meer te maken met armoede maar vrouwen met een handicap zijn als groep armer dan mannen met een handicap.

Vrouwen met een handicap zijn minder aanwezig op de arbeidsmarkt dan mannen met een handicap en dan vrouwen zonder handicap en ze ontvangen gemiddeld een lager loon.

Eén van de grondbeginselen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de Rechten van Personen met een Handicap is de gelijkheid van man en vrouw. Artikel 6 stelt dat vrouwen en meisjes met een handicap te maken krijgen met meervoudige discriminatie en dat de staten alle passende maatregelen moeten nemen om de volledige ontwikkeling, positieverbetering en autonomie van vrouwen te waarborgen. Artikel 19 gaat over deïnstitutionalisering, namelijk de vrije keuze om te wonen in de samenleving en er ondersteuning bij krijgen. Artikel 27 garandeert het recht van personen met een handicap op werk op voet van gelijkheid met anderen (vanuit de inclusie-invalshoek). Artikel 28 waarborgt een behoorlijke levensstandaard en sociale bescherming. De combinatie van deze artikels zou een basis moeten zijn voor een rechtvaardige, billijke en genderbewuste uitbouw van sociale ondersteuningsmaatregelen door de overheden voor personen met een handicap.

De Belgische en Vlaamse overheden hebben in de loop van de jaren een systeem van voorzieningen en bescherming uitgebouwd voor personen met een handicap, grosso modo voor de categorieën minderjarigen, volwassenen en gepensioneerden.

In het infodossier gaan we na in welke mate het beleid rekening houdt met het genderperspectief en/of met meervoudige discriminaties. We geven ook een stand van zaken van wat er bestaat op het vlak van uitkeringen in het kader van de sociale zekerheid, sociale bescherming en andere tegemoetkomingen op federaal en Vlaams niveau. Per deelrubriek voegen we cijfers m/v toe, indien ze beschikbaar zijn. We besteden ook aandacht aan de arbeidsgehandicapten.

Download documenten :
Gender en sociale bescherming personen met een handicap 2017
Genderbeleid in Europa
Op deze pagina vindt u meer informatie over het Gelijkekansenbeleid in Europa.

Genderbeleid in Europa

Gelijkheid van vrouwen en mannen is een van de doelstellingen van de Europese Unie. De bevordering ervan is geleidelijk aan uitgegroeid van een bijna terloops artikeltje over ‘gelijk loon voor gelijk werk’ in het oprichtingsverdrag van Rome (1957) tot een gemeenschappelijke waarde van de EU en een kerntaak van de Europese instellingen. Meer info over dit geleidelijke proces in verdragen en richtlijnen vindt u in de  Genderlex EU

De Europese Unie

Het Europees beleid heeft ongetwijfeld bijgedragen tot betere wetgeving van de lidstaten inzake gendergelijkheid. Via verdragen, richtlijnen tegen discriminatie, strategieën zoals gendermainstreaming en specifieke maatregelen ten gunste van vrouwen heeft de EU de gelijkheid v/m in de lidstaten de jure en de facto bevorderd, in eerste instantie vooral op gebied van betaald werk. Deze focus op de arbeidsmarkt kadert dan ook in het voortdurende streven naar economische groei van de EU.

Maar de EU en haar lidstaten hebben nog altijd veel werk voor de boeg. Ze moeten de ongelijkheden en de genderkloof wegwerken en de oorzaken ervan aanpakken: de lagere lonen en pensioenen van vrouwen, hun oververtegenwoordiging in slechter betaalde sectoren op de arbeidsmarkt en hun ondervertegenwoordiging in de besluitvorming, de moeilijke combinatie van job en gezinsleven… De Vrouwenraad geeft in de prioriteitennota  Wat vrouwen vragen van Europa een reeks aanbevelingen voor de aanpak van de belangrijkste knelpunten in het Europees beleid die de volledige gelijkheid v/m in de weg staan.

Wij houden u graag regelmatig op de hoogte van wat er reilt en zeilt op gebied van gender in de EU met ons Gendernieuws uit Europa. U kunt zelf ook de vinger aan de pols houden door regelmatig eens een kijkje te nemen op de interessantste websites voor de initiatieven en plannen voor meer gendergelijkheid van de verschillende Europese instellingen. U vindt die gemakkelijk terug via ons overzicht  Genderwijs in de EU.

De Raad van Europa

Naast de Europese Unie speelt ook de Raad van Europa een belangrijke rol in de bevordering van de mensenrechten en de gelijkheid tussen vrouwen en mannen. De Raad heeft hiertoe meerdere standaarden en mechanismen ontwikkeld.

Een van de belangrijke instrumenten is het Verdrag over het voorkomen en bestrijden van geweld en intrafamiliaal geweld op vrouwen (Verdrag van Istanboel 2011). Het verdrag focust op vier domeinen:

  • preventie van geweld
  •  bescherming van slachtoffers
  •  vervolging van daders
  • ontwikkeling van een samenhangend beleid

Het Verdrag van Istanboel is de meest volledige set van wettelijke standaarden om vrouwen te beschermen tegen geweld. Het is het eerste verdrag dat geweld op vrouwen definieert als een vorm van discriminatie en dat geweld beschouwt als een gendergebonden fenomeen. Geweld op vrouwen kan niet bestreden worden zonder te investeren in gelijkheid tussen vrouwen en mannen en zonder de machtsrelaties te veranderen.

Bij het verdrag werd ook een mechanisme voor monitoring en evaluatie van de uitvoering geïnstalleerd. Meer informatie hierover vindt u in het document ‘Toezicht en monitoring van het Verdrag van Istanboel.'

Andere belangrijke verdragen van de Raad van Europa voor gendergelijkheid zijn: het Verdrag over te ondernemen actie tegen mensenhandel en het Europees sociaal charter.

Daarnaast werden er ook binnen de administratie en het Parlement verbonden aan de Raad van Europa organen geïnstalleerd om de gendergelijkheid te bevorderen. De Commissie gendergelijkheid, verbonden aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, moet het mainstreamen van gendergelijkheid in alle beleidsmaatregelen van de Raad bewaken. De Commissie biedt advies, begeleiding en steun aan andere organen van de Raad van Europa en aan zijn lidstaten.

Het Comité gelijkheid en non-discriminatie, een comité van de parlementaire vergadering van de Raad van Europa, werkt aan gelijke kansen en de bestrijding van alle vormen van discriminatie.

 

Gendernieuws uit Europa

De Europese Unie en de Raad van Europa beïnvloeden vele aspecten van ons leven. Heel wat wetgeving en initiatieven in ons land op vlak van vrouwenrechten en gendergelijkheid zien hier het licht.

Wil jij graag meer weten over wat er in Europa leeft op vlak van gendergelijkheid en vrouwenrechten? In onze trimesteriële nieuwsbrief  vind je een korte samenvatting van de laatste ontwikkelingen.

Download documenten :
Briefingnota Strategie voor gendergelijkheid (2018 – 2023) van de Raad van Europa
Raad van Europa lanceert bindend instrument om seksisme te bestrijden
Het rapportageproces bij het Verdrag van Istanboel over geweld
Genderwijs in de EU
Genderlex EU
Wat vrouwen vragen van Europa
PPT - Aanbeveling CM (Rec) 2019 van de Raad van Europa
Samenvatting - Aanbeveling CM (Rec) 2019 van de Raad van Europa
Gendernieuws uit Europa 2022 nv 1
Genderkloof extralegale voordelen
Extralegale voordelen omschrijft het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen in zijn jaarlijks Belgisch Loonkloofrapport als voordelen van allerlei aard die bovenop het loon komen. In principe maken ze deel uit van het loon en de loonkloof.

Genderkloof extralegale voordelen

Extralegale voordelen omschrijft het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen in zijn jaarlijks Belgisch Loonkloofrapport als voordelen van allerlei aard die bovenop het loon komen. In principe maken ze deel uit van het loon en de loonkloof.

Extralegale voordelen worden steeds populairder. Werkgevers hanteren deze alternatieve loonvormen omdat ze fiscaal voordelig zijn, zowel voor de ondernemingen als voor de werknemers.

Steeds meer werkgevers laten hun werknemers ook op individuele basis kiezen uit een aanbod aan voordelen. Anderzijds zijn er ook voordelen op collectieve basis, bestemd voor alle werknemers van een bedrijf of voor bepaalde categorieën van het personeelsbestand, zoals bijvoorbeeld maaltijdcheques of een groepsverzekering.

Het jaarlijks Belgisch loonkloofrapport besteedt aandacht aan de aandelenopties, de aanvullende pensioenen en de terugbetaling van woon-werkverkeer. Maar het aanbod aan extralegale voordelen is veel ruimer. Dat zien we bijvoorbeeld in de tweejaarlijkse Salarisenquête van KULeuven en Vacature die het aanbod opdeelt in variabele lonen én extralegale voordelen.

In opdracht van de FOD Sociale Zekerheid en de RSZ brachten SD Worx en de Antwerp Management School in kaart hoeveel loon werknemers via extralegale voordelen ontvangen. Ze baseerden zich daarvoor op de maandelijkse loonberekeningen in 2018 en extrapoleerden die in samenwerking met de hulp van de RSZ en de FOD Sociale Zekerheid naar de 2,9 miljoen werknemers (2.900.550) in de private sector. Volgende alternatieve loonvoordelen komen in de studie aan bod: maaltijdcheques, aandelen of warrants, bedrijfswagen, loonbonus (cao 90), woon-werk met eigen wagen, ecocheques, woon-werk met openbaar vervoer, fietsvergoeding, bellen en surfen, aanvullende kinderbijslag en winstpremie. Het blijkt dat de sector waar je werkt de belangrijkste rol speelt, gevolgd door de variabelen geslacht, leeftijd; statuut en organisatiegrootte. Uit deze studie blijkt dat voor 8 van de 11 verloningsvoordelen vrouwen substantieel minder in aanmerking komen voor een bepaalde alternatieve verloningsvorm. De bedrijfswagen komt bij vrouwen maar 2,9 keer minder voor dan bij mannen, ook al werken ze in dezelfde sector, in een organisatie van dezelfde omvang, in hetzelfde statuut en hebben ze dezelfde leeftijd. Vrouwen krijgen vaker het voordeel verplaatsingsvergoeding dan mannen. Maaltijdcheques zijn het populairste extralegaal voordeel met 68% van de werknemers en 62 % van de werkneemsters die het ontvangen.

 

Download documenten :
Genderkloof extralegale voordelen 2019
Gezondheid
Om de vier à vijf jaar wordt sinds 1997 de Belgische Gezondheidsenquête uitgevoerd door het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid in opdracht van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten om info te verzamelen over de algemene gezondheidstoestand van de bevolking en hun gezondheidsbehoeften. Geslacht is één van de socio-demografische kenmerken die in alle enquêtes wordt meegenomen. Belangrijke invalshoeken zijn preventie, gezondheidsgedrag en leefstijl.

Gezondheid

Om de vier à vijf jaar wordt sinds 1997 de Belgische Gezondheidsenquête uitgevoerd door de Wetenschappelijke Directie Epidemiologie en volksgezondheid van Sciensano om info te verzamelen over de algemene gezondheidstoestand van de bevolking en hun gezondheidsbehoeften. De Gezondheidsenquête wordt gerealiseerd op initiatief en met ondersteuning van alle overheidsinstanties bevoegd voor volksgezondheid: de federale overheid (FOD Volksgezondheid), de Gemeenschappen en de Gewesten.

Geslacht is één van de socio-demografische kenmerken die in alle enquêtes wordt meegenomen. Belangrijke invalshoeken zijn preventie, gezondheidsgedrag en leefstijl.

Uit de resultaten van de Belgische Gezondheidsenquêtes blijkt volgens de Vrouwenraad duidelijk dat vrouwen een betere ‘leefhygiëne’ in acht nemen dan mannen. Ze houden er een gezondere levensstijl op na, hun gedrag ten aanzien van hun gezondheid getuigt van meer verantwoordelijkheidszin. Ze roken minder, drinken minder, eten gezonder,… . Ze raadplegen vaker een arts en toch zijn ze minder gezond, zowel subjectief als objectief bekeken.
Wanneer het beleid (en de hypothese van de gezondheidsenquêtes) vertrekt van het uitgangspunt ‘een gezond gedrag leidt tot een betere gezondheid’ blijkt dit voor vrouwen niet te kloppen.
 
Daarom stellen we dat het gezondheidsbeleid ook best vertrekt van het gelijk recht op gezondheid dat veronderstelt dat de sociaal verankerde ongelijkheden worden weggewerkt door ervan uit te gaan dat een laaggeschoolde dezelfde gezondheid moet hebben als een hooggeschoolde; dat een persoon met een laag inkomen dezelfde gezondheid moet hebben als een persoon met een hoog inkomen.
Meer daarover leest u in het hoofdstuk gezondheid in het Vrouwenraadmemorandum Bio-ethiek – Gezondheid – Seksuele en reproductieve rechten 2019.
Bij het deel Bio-ethiek hebben we aandacht voor de internationale eicelmarkt, draagmoederschap en discreet bevallen. Seksuele en reproductieve rechten en gezondheid bevatten aanbevelingen  over abortus, anticonceptiva, seksueel overdraagbare aandoeningen, HIV/aids en genitale praktijken. Andere items die aan bod komen zijn milieugerelateerde thema’s (cosmetica en blootstelling aan EDC’s) en de consumptie van geneesmiddelen.

In 2017 vroegen we ons af of de gezondheid van de alleenstaande moeders er slechter aan toe zou zijn dan die van moeders in koppel en dan die van alleenstaande vaders. Moest dat het geval zijn, dan zouden de overheden passende maatregelen kunnen nemen om de gezondheidssituatie van alleenstaande moeders te verbeteren. We contacteerden het team van de Belgische Gezondheidsenquête. In samenspraak met het team selecteerden we een aantal indicatoren waarvan we voor België en Vlaanderen de percentages mochten ontvangen voor de alleenstaande moeders, de moeders in koppel, de alleenstaande vaders, de vaders in koppel en alle ouders samen en dit voor de enquêtejaren 1997-2001-2004 en 2008-2013. De resultaten kwamen aan bod in de Vrouwenraadrondetafel Eenoudergezinnen en gezondheid 2018: ‘Wat de gezondheidsenquête prijsgeeft over alleenstaande ouders’(zie hieronder).

Download documenten :
Wat de gezondheidsenquête prijsgeeft over alleenstaande ouders 2018
Dossier, discreet bevallen en vondelingenluik 2012
Eicellen groeien niet aan bomen 2006
Draag- en leenmoederschap 2001
Caritas - Dubbel taboe - menstruatiearmoede in Vlaanderen - ppt
Vrouwenraad - Standpuntbepaling menstruatiearmoede RvB 17 december 2020 - ppt
Interessante Links :
Acquisition of Egg Cells 2019
Besparen op de strijd tegen HIV/AIDS is dodelijk voor vrouwen 2013
Draag- en leenmoederschap 2011
Vrouwenraad wil vondelingenluik wettelijk regelen 2013
Individuele rechten in de sociale zekerheid
Onze sociale zekerheid heeft zich na de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld via allerlei maatregelen in verschillende sectoren. Een aantal daarvan zijn nog steeds gebaseerd op het gezinsmodel met één (mannelijke) kostwinner. Dit zogenaamde kostwinnersmodel vierde hoogtij in de jaren 1950 tot 1970. Op het einde van de 20ste eeuw kwam er geleidelijk meer aandacht voor tweeverdienersgezinnen en recenter ook voor eenoudergezinnen.

Individuele rechten in de sociale zekerheid

Onze sociale zekerheid heeft zich na de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld via allerlei maatregelen in verschillende sectoren. Een aantal daarvan zijn nog steeds gebaseerd op het gezinsmodel met één (mannelijke) kostwinner. Dit zogenaamde kostwinnersmodel vierde hoogtij in de jaren 1950 tot 1970. Op het einde van de 20ste eeuw kwam er geleidelijk meer aandacht voor tweeverdienersgezinnen en recenter ook voor eenoudergezinnen.

Maar de maatregelen in de sociale zekerheid zijn niet gestroomlijnd en creëren bijgevolg een aantal onrechtvaardigheden: vrouwen worden indirect benadeeld ten opzichte van mannen, zelfs vrouwen onderling worden in bepaalde gevallen verschillend behandeld. We zien dit soms ook bij gehuwden en samenwoners en bij eenverdieners- en tweeverdienersgezinnen.

De grote basisprincipes van de sociale zekerheid zijn:

  • de financiering van het stelsel op basis van bijdragen van werknemers (en werkgevers). Deze bijdragen zijn niet geplafonneerd. Werknemers bouwen dus zelf individuele of eigen rechten op in de sociale zekerheid en dit op basis van hun bijdragen.
     
  • de uitkeringen aan de werknemers bij loonverlies (als gevolg van werkloosheid, ziekte en invaliditeit, moederschap, vaderschap, pensioen, arbeidsongeval, beroepsziekte, jaarlijkse vakantie) of een ontoereikend loon (gezondheidsuitgaven en kosten van kind/eren). Deze uitkeringen zijn wel begrensd en dit op diverse manieren in de verschillende sectoren. 

De sociale zekerheid neemt dus voor een stuk de zorgfunctie op zich:

  • op een directe manier voor beroepsactieve personen via de zogenaamde individuele oplossingen waardoor ze zich tijdelijk of gedeeltelijk  (kunnen) terugtrekken uit de arbeidsmarkt (bijvoorbeeld voor moederschapsrust, vaderschapsverlof, tijdskrediet, ouderschapsverlof, palliatief verlof, …). Deze onderbrekingen worden omgezet in gelijkgestelde periodes (d.w.z. dat men blijft rechten opbouwen) en gedeeltelijk vergoed via vervangingsuitkeringen of premies.
  • op een indirecte manier voor niet-beroepsactieve personen via de afgeleide rechten. Wat bedoelt men met deze term? Afgeleide rechten worden toegekend aan de volwassene die van de titularis afhankelijk is of geweest is (gezondheidszorgen, overlevingspensioen) ofwel ontvangen de werknemers die hen ten laste hebben verhoogde uitkeringen. Het systeem van de afgeleide rechten stamt uit de tijd van het kostwinnersmodel, toen de werkende man niet enkel zijn kind(eren) ten laste had maar ook zijn echtgenote.

Maar het systeem is niet helemaal rechtvaardig: bepaalde werknemers (uit de categorie samenwonenden bij de werkloosheids- en invaliditeitsuitkeringen) krijgen lagere uitkeringen dan alleenstaanden en werknemers met gezinslast ondanks het feit dat ze tijdens hun beroepsactieve periode bijdragen betaald en rechten opgebouwd hebben. Er is dus sprake van niet-ontvangen eigen rechten en het gaat vaak om vrouwen.

De Vrouwenraad wil alle onrechtvaardigheden uit het systeem zuiveren en op termijn het systeem van de afgeleide rechten laten uitdoven. Wij zijn vóór de opbouw van individuele rechten voor iedereen. De onderbrekingsperiodes en de gelijkgestelde dagen (waaraan ook nog gesleuteld moet worden) bieden dan een oplossing om de combinatie van het beroeps- en gezinsleven draaglijk(er) te maken en evenwichtig(er) te verdelen tussen de gezinspartners. Want zolang vrouwen meer blijven zorgen dan mannen, kunnen individuele rechten in de sociale zekerheid enkel een gelijk resultaat opleveren wanneer er genoeg compensatie is, namelijk gelijkgestelde periodes met uitkeringen die hoog genoeg zijn.

Download documenten :
Federaal Vrouwenraadmemorandum uitgebreide versie 2019, p. 62-63
Vrouwenraadmemorandum Sociale bescherming 2014
Individuele rechten in de sociale zekerheid 2011
Inkomstenbelasting
De fiscale hervorming van 2001 voert het principe van de afzonderlijke belasting van de inkomsten voor koppels in, de zogenaamde decumul. Maar de personenbelasting werd niet geïndividualiseerd. De aanslag blijft gemeenschappelijk en wordt per fiscaal gezin gevestigd. De fiscale draagkracht hangt daarbij niet enkel af van het inkomen maar ook van het aantal personen in het fiscale gezin. Bij alleenstaanden is het individu de basiseenheid.

Belasting

De fiscale hervorming van 2001 voert het principe van de afzonderlijke belasting van de inkomsten voor koppels in, de zogenaamde decumul. Maar de personenbelasting werd niet geïndividualiseerd. De aanslag blijft gemeenschappelijk en wordt per fiscaal gezin gevestigd. De fiscale draagkracht hangt daarbij niet enkel af van het inkomen maar ook van het aantal personen in het fiscale gezin. Bij alleenstaanden is het individu de basiseenheid.

Het fiscaal beleid hanteert verder het principe van horizontale en verticale billijkheid. De horizontale billijkheid beoogt een gelijke behandeling van personen die zich in een gelijkaardige situatie bevinden en bijgevolg moeten gezinnen of personen  - al naargelang  - met hetzelfde inkomen een gelijkwaardige fiscale draagkracht hebben. De verticale billijkheid verwijst naar de herverdelingsdoelstelling tussen hoge en lage inkomens.

Verschillende mechanismen in de personenbelasting maken dat vrouwen benadeeld worden. Zo werkt de semi-progressiviteit van de belastingtarieven niet voldoende herverdelend tussen vrouwen en mannen. Diverse fiscale voordelen komen in de praktijk bij koppels meer aan mannen dan aan vrouwen toe. We stellen vast dat de belastinggraad van vrouwen daardoor hoger is dan die van mannen. Dat wil zeggen dat vrouwen, hoewel ze gemiddeld lagere inkomens hebben dan mannen, gemiddeld meer belastingen betalen.

Om dat billijkheidsverhaal verder te optimaliseren zijn er volgens de Vrouwenraad nog een aantal fiscale hervormingen nodig.

De Vrouwenraad stelt voor om de diverse belastingtechnieken (zoals het huwelijksquotiënt, belastingvrije sommen, belastingverminderingen, -kredieten, -tarieven, aftrekbare kosten en uitgaven,…) te herbekijken op eenvormigheid en rechtvaardigheid.

De resolutie van het Europees Parlement van  15 januari 2019 over gendergelijkheid en belastingenbeleid in de EU betekent voor ons een ondersteuning van de analyses die we al jaren zelf maken over ons belastingsysteem (directe en indirecte belastingen) en voor onze aanbevelingen die we opnieuw opgelijst hebben in ons federaal memorandum 2019.

Download documenten :
Federaal Vrouwenraadmemorandum 2019, p. 134-142.
Vrouwenraaddossier, Huwelijksquotiënt 2013
Huwelijksquotiënt A4- 2013
Inkomstenbelasting vanuit genderperspectief 2011
Loonkloof / Loopbaankloof
De loonkloof tussen vrouwen en mannen blijft al decennia vastgeklikt op de lobbyagenda van de vrouwenbeweging.

Loonkloof / Loopbaankloof

De loonkloof tussen vrouwen en mannen blijft al decennia vastgeklikt op de lobbyagenda van de vrouwenbeweging.

Cijfers België

Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen publiceert jaarlijks sinds 2007 een Belgisch loonkloofrapport, op basis van gegevens uit de Enquête naar de Structuur en de Verdeling van de Lonen

Tabel: Evolutie loonkloof v/m: gemiddelde bruto-jaarlonen, gemiddelde bruto-maandlonen en gemiddelde bruto-uurlonen 2000-2018

Loonkloof             Gemiddelde bruta-jaarlonen in % Gemiddelde bruto-maandloon % Gemiddelde bruto-uurloon %
  Gecorrigeerd voor arbeidsduur Niet gecorrigeerd voor arbeidsduur    
 2018  9,2  23,1  4,7" 5,1  4,1" 4,6
 2017  9,4  23,4  5,1  4,4
 2016  9,9  23,7  5,3  4,6
 2015  10,4  24,0  6,1  5,3
 2014  10,7  24,3  5,0" 6,3  4,5" 5,5
 2013      6,5  5,4
 2012      7,3  6,2
 2011      8,1  7,1
 2010      8,5" 10,0  7,6" 9,1
 2009      10,3  9,3
 2008      11,3  9,7
 2007      11,7  10,1
 2006      12,0" 12,5  10,2" 11,4
 2005      15,0  13,8
 2004      15,0  12,9
 2003      19,1  16,2
 2002      14,4  13,5
 2001      16,1  14,7
 2000      17,5  15,4
 Bron: Op basis van de Belgische loonkloofrapporten van het IGVM


 *= Om de vier jaar (2006, 2010, 2014, 2018) wordt de enquête uitgebreid tot de sectoren van het onderwijs, de gezondheidszorg en de socio-culturele sector.

Vrouwen werken veel vaker deeltijds en voltijds werkende vrouwen werken gemiddeld minder uren dan voltijds werkende mannen. Dat heeft een grote impact op wat vrouwen gemiddeld verdienen. Door de loonkloof te berekenen op basis van jaarlonen wordt dat verschil duidelijk in beeld gebracht. Wanneer dan de correctie gemaakt wordt voor arbeidsduur (deeltijds werk), valt op hoe groot het aandeel van deeltijds werk in de loonkloof is. In de loonkloof gecorrigeerd voor arbeidsduur, wordt het effect van de verschillen in arbeidsduur volledig buiten beschouwing gelaten. Deze percentages zijn beschikbaar vanaf 2014.

Het loonverschil in uurlonen is kleiner dan het loonverschil in maandlonen omdat vrouwen gemiddeld minder uren werken dan mannen – zelfs als ze voltijds werken.

Het Belgisch loonkloofrapport van 2021 (over de situatie in 2018) stelt op basis van de Enquête naar de Structuur en de Verdeling van de Lonen vast dat het loonkloofverschil op basis van jaarloon 23,1% bedraagt en 9,2% op basis van uurloon. Het feit dat vrouwen vaker deeltijds werken maakt een groot deel uit van deze ongelijkheid. Het percentage deeltijdwerk bedraagt in 2018 43,5% van de vrouwelijke werknemers en 11,0% van de mannelijke. Maar we weten dat vrouwen doorgaans geen andere keuze hebben omdat er geen voltijds aanbod is in een aantal sectoren waarin meer vrouwen dan mannen werken.

49,4% van de loonkloof in bruto-uurlonen in 2018 kan verklaard worden op basis van twaalf gedefinieerde factoren: beroep, sector van tewerkstelling, type contact (tijdelijk of onbepaalde duur), arbeidsduur (voltijds of deeltijds), regio van tewerkstelling, vorm van economische en financiële controle, onderwijsniveau/scholingsgraad, werkervaring (geschatte totale anciënniteit), burgerlijke staat (al dan niet gehuwd), gezinstype (met of zonder kinderen), nationaliteit. Deze verklaring wil niet zeggen dat de genderkloof aanvaardbaar is.

Het onverklaarde deel van de loonkloof bedraagt 50,6% en houdt in dat vrouwen, zelfs met dezelfde eigenschappen als mannen (anciënniteit, dezelfde leeftijd, werkzaam in dezelfde sector met hetzelfde beroep en hetzelfde opleidingsniveau), toch minder dan mannen verdienen. Een stuk van dit onverklaarde deel zou nog kunnen uitgeklaard worden op basis van extra gegevens die nog niet beschikbaar zijn. Maar het andere deel is het gevolg van een zuivere loondiscriminatie.

De cijfers uit het rapport 2021 wijzen ook op een groeiende precarisering van banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het gaat om mensen die een laag loon combineren met deeltijds werk. Binnen deze groep zijn vrouwen nog kwetsbaarder dan mannen. Bij vrouwen en mannen die tewerkgesteld zijn in een arbeidersstatuut in de privésector loopt de loonkloof op tot 20,3% gecorrigeerd voor arbeidsduur en 43,0% als er niet gecorrigeerd wordt.

Dan zijn er ook nog de extralegale voordelen die niet vervat zitten in de Enquête naar de Structuur en de Verdeling van de Lonen maar het Belgisch Loonkloofrapport hanteert daarvoor de fiscale statistieken (privé- en publieke sector) en stelt vast dat bepaalde voordelen eerder aan mannen dan aan vrouwen worden toegekend, zoals de terugbetalingen voor het woon-werkverkeer, de bijdragen voor het aanvullend pensioenen de aandelenopties die werknemers in hun personenbelasting hebben aangegeven.

Equal Pay Day

Equal Pay Day is de dag tot wanneer vrouwen in een bepaald jaar zouden moeten werken om evenveel te verdienen als wat mannen het jaar ervoor al verdiend hebben. In 2021 valt
Equal Pay Day in België op 25 maart.

Meer info: https://www.equalpayday.be/

Cijfers Vlaanderen

Hiervoor verwijzen we naar het SV-rapport (Statistiek Vlaanderen), Maatschappelijke positie en participatie van mannen en vrouwen, 2021/1: hoofdstuk over de loonkloof (p. 83-86).

Loonkloofwet

In 2012 vond de wetgever het nodig om een expliciete wet ter bestrijding van de loonkloof in het leven te roepen. De wet van 22 april 2012 ter bestrijding van de loonkloof en de uitvoeringsbesluiten zijn inderdaad niet onbelangrijk omdat het elke onderneming (weliswaar van meer dan 50 werknemers) verplicht een tweejaarlijks verslag op te maken met een analyse van de loonstructuur om te controleren of die wel genderneutraal is. Daarnaast moeten de ondernemingen in hun sociale balans opgesplitst per geslacht de loongegevens weergeven, genderneutrale functieclassificaties hanteren en een bemiddelaar aanstellen.

De wet van 5 januari 2018 houdende diverse bepalingen inzake werk creëert een wettelijke basis voor de sociale inspectiediensten om mystery calls uit te voeren in de strijd tegen de discriminatie op de arbeidsmarkt, o.a.geslacht (met inbegrip van zwangerschap, bevalling of moederschap).

Aanbevelingen Vrouwenraad

Wat de Vrouwenraad daarom nog voorstelt:

Federaal:

  • De regering zet de strijd tegen de loonkloof v/m verder en maakt een evaluatie van de wet van 22 april 2012 ter bestrijding van de loonkloof tussen mannen en vrouwen  en neemt op basis daarvan nieuwe maatregelen of creëert bijkomende wetgevende instrumenten.
  • Bij de evaluatie van de loonkloofwet moet er specifieke aandacht zijn voor de toepassing van de analyserapporten op ondernemingsniveau en voor de rol van de bemiddelaar.
  • De regering zet zich in voor het bevorderen van sectorakkoorden en van maatregelen op ondernemingsniveau met het oog op het bestrijden van de loonverschillen.
  • Een systematische screening van sleutelteksten in het beleidsproces op basis van het genderperspectief zou in de toekomst een bijdrage moeten leveren tot het dichten van de loo(n)pbaankloof.
  • De uitwerking van genderneutrale functieclassificaties, zowel op interprofessioneel niveau als op sectoraal niveau, moet verdergezet worden ook bij nieuwe jobs die gecreëerd worden in het kader van innovatie – digitalisering – robotisering en artificiële intelligentie; opleidingen voor vakbondsafgevaardigden over (het opsporen van) loonverschillen.
  • Een onderzoek dat de loonkloof m/v in kaart brengt in kmo’s en vzw’s die volgens de loonkloofwet niet onderworpen zijn aan een verplichte opmaak van een analyseverslag van de bezoldigingsstructuur van de werknemers.
  • Een gecoördineerd actieplan op alle beleidsniveaus en het ter beschikking stellen van de nodige middelen om de loonkloofwet uit te voeren.
  • In de analyse van de vergoedingen moet ook de aard van de extralegale voordelen aan bod komen.
  • Binnen het kader van een kortere werkweek (cfr. Vrouwenraadcombinatiemodel) is het van belang om te streven naar en te investeren in de meest geschikte werktijdenregelingen die een win - winsituatie moeten betekenen voor werknemers en werkgevers. We verwijzen in dit verband naar het Femma-experiment met een 30-urige werkweek.  Op basis van de resultaten van dit experiment vragen we een debat tussen sociale partners en het ruime middenveld. Bovendien moeten er nog experimenten in andere sectoren rond de 30-uren week met loonbehoud opgestart worden.
  • Een minimumloon van 14 euro bruto per uur voor iedereen; dat zal ten goede komen aan de situatie van een groot aantal vrouwen.
  • De economie heeft bovendien alle talenten nodig, dus is het aangewezen om alle (elders en eerder verworven) competenties in te zetten voor ‘de juiste vrouw/man op de juiste plaats’, zonder enige vorm van discriminatie.
  • De informatie van het analyseverslag over de bezoldigingsstructuur van werknemers in ondernemingen in het kader van de loonkloofwet mag niet langer confidentieel zijn zodat bewijs van mogelijke discriminatie kan worden vastgesteld. Ook de bemiddelaar, aangesteld door de werkgever, en de klager binnen een bedrijf dienen een beschermd statuut te krijgen.
  • Kortom: de regering moet sterk inzetten op het wegwerken van de loonkloof/loopbaankloof én de pensioenkloof v/m.

Vlaanderen:

  • Het opstellen van een Vlaams Actieplan ter bestrijding van de loon- en loopbaankloof v/m met gedeelde verantwoordelijkheden en samenwerking met alle beleidsniveaus: afstemming met het transversaal Federaal actieplan ‘Gender & Werk’ en het Vlaams Horizontaal Gelijkekansenplan. De loo(n)pbaankloof is immers het resultaat van impliciete discriminaties die te maken hebben met sociale zekerheid, fiscaliteit, studie- en beroepsoriëntering, combinatie gezin en arbeid (kinderopvang, arbeidsorganisatie, mobiliteit,…), enz.
    Een dergelijke problematiek vergt een globale aanpak met gespreide verantwoordelijkheden voor de overheid, de sociale partners en de bedrijven.
     

Voorstel EU-richtlijn loontransparantie

Het voorstel van richtlijn van de Europese Commissie wil het recht op gelijk loon voor gelijk werk versterken via het invoeren van de loontransparantie en de toegang tot informatie. Dit is een kans op weg naar een grotere loongelijkheid v/m.

Download documenten :
Vrouwenraaddossier loonkloof en loontransparantie 2021
Factsheet: De loon- en pensioenkloof in België 2019
Federaal Vrouwenraadmemorandum uitgebreide versie 2019, p. 38-40
Vlaams Vrouwenraadmemorandum 2019, p. 11-12
Een interministeriële conferentie m.b.t. de loonkloof 2015
Genderloonkloof in het onderwijs 2015
Brief aan Europees commissaris Didier Reynders - EU-Richtlijn inzake loontransparantie
Reply from Helena Dalli Euopean Commission Equality - gender pay transparency NDL
Loopbaansparen
De regering is van plan om een stelsel van loopbaansparen in te voeren waardoor werknemers tijd en/of loon kunnen opsparen om nadien hun loopbaan tijdelijk te onderbreken. Zo kunnen ze de overgang tussen twee banen overbruggen (als aanvulling op hun werkloosheidsuitkering) of hun wettelijk pensioen aanvullen. In deze spaarrekening kunnen het tijdskrediet, de loopbaanonderbreking en alle soorten stelsels worden geïntegreerd.

Loopbaansparen

De regering (2014-2019) heeft een stelsel van loopbaansparen ingevoerd waardoor werknemers tijd kunnen opsparen om nadien hun loopbaan tijdelijk te onderbreken.

Onze vrees was toen dat vrouwen zouden benadeeld worden of minder toegang zouden hebben tot dergelijk systeem.

De wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk bracht een wettelijk kader tot stand voor het loopbaansparen. Op 1 februari 2018 trad het stelsel in werking. Bij de instelling van het stelsel moet men erop toezien dat vrouwen dezelfde mogelijkheden tot sparen hebben als mannen.

Werknemers krijgen de mogelijkheid om bepaalde tijdselementen op te sparen met de bedoeling die later tijdens de duur van de dienstbetrekking als verlof op te nemen. Daardoor kunnen ze zelf een deeltje van hun loopbaan sturen en adempauzes inlassen wanneer ze er behoefte aan hebben. De maatregel van het loopbaansparen is gebaseerd op vrijwilligheid. Werknemers kunnen niet verplicht worden om eraan deel te nemen. De volgende tijd kan opgespaard worden: conventionele verlofdagen; krediet aan vrijwillige overuren die niet moeten ingehaald worden; bij een glijdend uurrooster, de uren die boven de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur worden verricht en op het einde van de referteperiode kunnen worden overgedragen; de overuren die in het kader van een onvoorziene noodzakelijkheid of een buitengewone vermeerdering van werk worden verricht en die naar keuze van de werknemer al dan niet worden ingehaald.

Om de maatregel van het loopbaansparen te kunnen toepassen, moet die eerst door de sectoren geactiveerd worden (of bij gebreke daaraan door de ondernemingen). Vanaf 2018 kunnen sectoren de procedure tot invoering van loopbaansparen starten.

Lijst van aanhangigmakingen of sectoren die al een cao hebben afgesloten: we zien dat de kleding- en confectiesector de lead hebben genomen in 2018. In 2019 zijn verzoeken tot activering van de procedure tot invoering van loopbaansparen ingediend voor de petroleumnijverheid, handel en de scheikundige nijverheid, streekvervoer van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Aanvullend Paritair Comité nr. 200 voor de bedienden. In 2020 volgden het Paritair Comité nr. 225.00 voor de bedienden van de inrichtingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs, het Paritair Comité nr. 306 voor het verzekeringswezen.
In het regeerakkoord 2020 doet de regering een oproep richting sociale partners om loopbaansparen voor elke werknemer toegankelijk te maken.

Begin 2021 maakte Kenniscentrum Acerta de resultaten bekend van hun onderzoek over loopbaansparen. Het betreft een representatieve steekproef van de arbeidsmarkt op basis van de recentste cijfers van Statbel. Er waren 2.272 respondenten. Het blijkt dat 73% van de Belgische werknemers vakantiedagen of gepresteerde overuren wil opsparen voor later in hun loopbaan. Loopbaansparen wordt gezien als een mogelijke oplossing voor werknemers die door de coronacrisis heel wat overuren gepresteerd hebben, en/of voor werknemers die er niet in slagen om al hun extra vakantiedagen vóór het einde van het jaar op te nemen. Bijna zes op de tien werknemers willen via loopbaansparen sneller op pensioen. In de zorgsector, die zwaar belast wordt door de coronacrisis, is loopbaansparen nog niet mogelijk. Acerta ziet loopbaansparen daar als een belangrijke oplossing voor de vele opgestapelde overuren van het zorgpersoneel.

De Vrouwenraad is vragende partij voor een evaluatie vanuit genderperspectief tegen het einde van de legislatuur 2019-2024.

Mantelzorg
Mantelzorg, vroeg of laat geeft bijna iedereen zorg aan iemand in de eigen omgeving.

Mantelzorgers, koester ze!

Federaal

Mantelzorg, vroeg of laat geeft bijna iedereen zorg aan iemand in de eigen omgeving.

Sinds 12 mei 2014 is er een wet betreffende de erkenning van de mantelzorger die een persoon met een grote zorgbehoefte bijstaat. Wat die wet concreet inhield was niet duidelijk. Er ontbraken uitvoeringsbesluiten.De mantelzorgwet van 2014 werd opgefrist door de wet van 17 mei 2019 tot erkenning van de mantelzorgers.

Het Koninklijk Besluit van 16 juni 2020 tot uitvoering van de wet van 12 mei 2020 betreffende de erkenning van de mantelzorger en de toekenning van sociale rechten aan de mantelzorger definieert de mantelzorger en bepaalt  regels m.b.t. de erkenning. Het treedt in werking vanaf 1 september 2020. Personen die als mantelzorger erkend zijn, zullen hun arbeidsovereenkomst gedurende één maand  volledig of twee maanden deeltijds kunnen schorsen. Deeltijds werkenden kunnen hun prestaties enkel volledig opschorten (dus per zorgbehoevende persoon beperkt tot één maand). Dit mantelzorgverlof is een nieuw thematisch verlof, naast ouderschapsverlof, verlof voor medische bijstand en palliatief verlof. Een nieuw Koninklijk Besluit kan in de toekomst nog versoepelingen doorvoeren.

De RVA betaalt de vergoeding voor het mantelzorgverlof voor werknemers en overheidspersoneel. Er is een apart systeem van uitkeringen voor mensen met een invaliditeitsuitkering en zelfstandigen. Er zijn nog geen cijfers/uitkeringen mantelzorgverlof beschikbaar.
 

Volgens de Vrouwenraad:

Uiteraard zijn onderbrekingen/thematische verloven met inbegrip van het mantelzorgverlof wel interessant als ze voldoende hoog uitbetaald worden met de nodige premies en gelijkstellingen voor de sociale zekerheid/pensioenen. Maar zoals we zien blijft de opname van die verloven in de huidige context een zaak van vrouwen (dus geen arbeidsherverdelende maatregel voor het informele werk). Daarom gaan we om de combinatiedruk te verlichten voor collectieve arbeidsduurverkorting voor iedereen.

Vlaanderen

In Vlaanderen was er een mantelzorgplan 2016-2020 met allerlei maatregelen en acties die de mantelzorger moest informeren en ondersteunen, weliswaar ingebed in de vermaatschappelijking van de zorg. In maart-april 2021 loopt een bevraging over het Vlaamse mantelzorgplan via HoGent in opdracht van de Vlaamse overheid met de bedoeling hierover een evaluatie te maken.

Meer info over mantelzorg in Vlaanderen:
Kenniscentrum Welzijn en Zorg/Mantelzorg;
Vlaams Expertisepunt Mantelzorg

Sinds 5 maart 2021 kan je een aanmoedigingspremie aanvragen als je verlof voor mantelzorg opneemt. Meer informatie over de aanmoedigingspremie in het kader van zorgkrediet bij opname van mantelzorgverlof: Vlaanderen/aanmoedigingspremies (privé-sector en socialprofitsector.

Tijdens Corona

Het Steunpunt Mantelzorg en HoGent 360° Zorg en Welzijn publiceerden in november 2020 een onderzoeksrapport De beleving van mantelzorgers in tijden van COVID-19. Het rapport geeft de resultaten weer van een online bevraging tijdens de tweede helft van mei 2020 bij 651 mantelzorgers naar hun beleving van de zorg. 83,7% van de respondenten waren vrouwen. De impact van de coronaperiode blijkt groot. Het takenpakket van de mantelzorgers is aanzienlijk toegenomen. De professionele ondersteuning en hulp uit het eigen netwerk is verminderd. Tweederde van de mantelzorgers besteedt meer tijd aan zorg dan voor de aanvang van de pandemie; 8 procent vindt de zorg minder zwaar. Hun tijd gaat vooral naar emotionele ondersteuning, huishoudelijke hulp, administratieve hulp, verzorging, planning en coördinatie van de zorg, toezicht en ondersteuning bij dagactiviteiten en zinvolle dagbesteding. De vragen peilen ook naar zorgen over de zorg, het volhoudperspectief, de gedeelde zorg (professionele hulp en hulp van familie, vrienden en buren), de werk-zorg-leven balans en de ondersteuning van de mantelzorgers.
 

Lokaal

In ons dossier over de gemeentelijke mantelzorgpremies onderzochten we in 2017 de criteria die steden en gemeenten gebruiken om die premies toe te kennen. We bekeken ook de genderverhoudingen. In Vlaanderen zijn er naar schatting 600.000 mantelzorgers en een 30.000-tal krijgen een gemeentelijke mantelzorgpremie. 70% van de gemeenten kennen één of meerdere soorten mantelzorgpremies toe. De uitgekeerde bedragen verschillen enorm, ook de voorwaarden om er recht op te hebben.  De Vrouwenraad stelt zich daarom enkele vragen: Kan een ‘gelijke’ mantelzorgpremie in elke gemeente gerealiseerd worden, die rekening houdt met het aantal uren dat elke mantelzorger verricht en dit in functie van de graad van zelfredzaamheid van de zorgbehoevende? Of, kunnen de gemeentelijke mantelzorgpremies ingekanteld worden in de Vlaamse Zorgverzekering? Of, kunnen we gaan voor een geïntegreerd financieel ondersteuningsbeleid voor de mantelzorger (van lokaal tot federaal of vice-versa)? En dan is het ook nog van belang om te kijken naar de drie groepen mantelzorgers: de minderjarigen, de beroepsactieven en de gepensioneerden.
 

Economische meerwaarde mantelzorg

In 2018 organiseerden we een Vrouwenraadrondetafel over de economische meerwaarde van de mantelzorg. We vernamen dat die economische meerwaarde is berekend op:

  • 22,7 miljard euro/jaar (5% van het BNP voor België)
  • 11,38 miljard euro/jaar voor Vlaanderen = 7x meer dan het budget voor de residentiële  ouderenzorg (1,7 miljard euro).
    Uit onderzoek van Statistiek Vlaanderen blijkt ook dat het beperkt opnemen van mantelzorg (minder dan 10u/week) een positief effect heeft op het economisch welzijn, terwijl het intensief mantelzorgen (meer dan 10u per week) steeds een negatief effect heeft. Bijgevolg moet een effectief financieel ondersteuningsbeleid voor mantelzorgers afgestemd zijn op de specifieke kenmerken van de zorgsituatie. Armoedebestrijding moet volgens de onderzoekers de rode draad zijn doorheen een krachtig mantelzorgbeleid.

    Andere aandachtspunten die aan bod kwamen:
  • De mantelzorger is een volwaardige zorgpartner. Er is verschuiving nodig van 1 op 1 relatie tussen arts en patiënt of tussen thuiszorg en cliënt naar een driehoeksverhouding. Mantelzorgers worden nu te veel uitgesloten door arts en/of thuiszorg. Daardoor wordt een verkeerde inschatting van de zorgnood gemaakt. Bij het toepassen van de schalen zeggen zorgbehoevenden vaak dat ze nog ‘iets’ kunnen wat in de praktijk niet meer het geval is en bij die inschatting moet de mantelzorger een rol kunnen spelen. Mantelzorgers moeten ook zelf ingeschaald kunnen worden.
  • Er is een tekort aan respijtzorg voor mantelzorgers. Er zijn ook verschillen qua aanbod tussen provincies en gemeenten. Dit moet beter bekend worden.
  • Bij de combinatie werk en zorg is de pensioenopbouw tijdens de mantelzorgperiode van belang, ongelimiteerd tijdskrediet en werkbaar werk en mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid.
  • Door wachtlijsten in de reguliere zorg en bij ambulante diensten vergroot de druk om mantelzorg op te nemen.
  • De zware zorgbehoevendheid sleurt mantelzorgers soms mee in de armoede (ook door de vermindering van hun arbeidstijd). Vooral mantelzorgers die inwonen ervaren een hogere druk, ook op gezondheidsvlak.
  • Er is in Vlaanderen een evolutie nodig naar een breed geïntegreerd onthaal met medewerking van CAW’s, OCMW’s, mutualiteiten,…

 

Download documenten :
Mantelzorg stavaza 2019
Infografiek mantelzorg - 2019
Nota Gemeentelijke mantelzorgpremies 2017
Moederschapsverlof
Moederschapsverlof: what’s in a name? Wij gebruiken moederschapsverlof als overkoepelende term maar in de regelgeving vinden we volgende begrippen terug:

Moederschapsverlof

Moederschapsverlof: what’s in a name? Wij gebruiken moederschapsverlof als overkoepelende term maar in de regelgeving vinden we volgende begrippen terug:

De FOD WASO gebruikt de termen moederschapsverlof, opgedeeld in zwangerschapsverlof of prenataal verlof en postnataal verlof of bevallingsrust.
Het RIZIV gebruikt de term moederschapsrust, opgedeeld in prenatale rust en postnatale rust.

Het moederschapsverlof voor werkneemsters, werkloze vrouwen en vastbenoemde ambtenaren duurt in principe vijftien weken. Vóór de vermoedelijke bevallingsdatum kan de toekomstige mama maximaal zes weken prenataal verlof opnemen waarvan één week verplicht. Ze mag de overige vijf weken omzetten in postnataal verlof, dat vanaf de bevallingsdatum begint en zeker negen weken moet tellen. Bij de geboorte van een meerling, kan het prenataal verlof acht weken duren en kan het postnataal verlof eveneens met twee weken worden verlengd.

Bij vrouwelijke zelfstandigen, meewerkende echtgenotes/partners en helpsters omvat de moederschapsrust twaalf weken die bestaan uit een verplichte rustperiode (1 week voor en 2 weken na de bevallingsdatum) en een vrij te kiezen deel (9 weken voltijds of 18 weken halftijds).

Deze moeders betalen geen sociale bijdragen voor het kwartaal na het kwartaal waarin ze zijn bevallen. Die vrijstelling heeft geen gevolgen voor hun sociale rechten. Het bedrag per week van hun moederschapsuitkering bedraagt:

  • 504,54 euro bij voltijdse moederschapsrust
  • 252,27 euro bij halftijdse moederschapsrust

Na de bevalling hebben ze recht op 105 gratis dienstencheques. Ze worden automatisch toegestuurd.

Wat de vergoeding betreft, krijgen werkneemsters de eerste dertig dagen 82% van het brutoloon (geen maximumbedrag van toepassing) en vanaf de 31ste dag 75% van het begrensd brutoloon. De vrouwelijke ambtenaar behoudt haar loon tijdens het moederschapsverlof. De werkloze mama ontvangt de eerste dertig dagen een werkloosheidsuitkering en een supplement van 19,50% van het referteloon en vanaf de 31ste dag een werkloosheidsuitkering en een supplement van 15% van het referteloon.

Op EU-niveau zijn er plannen geweest om de zwangerschapsrichtlijn aan te passen. Het Europees Parlement stelde in 2010 een uitbreiding van 14 naar 20 weken moederschapsverlof voor met volledig loonbehoud voor de werkneemster. De Vrouwenraad kon zich hierin vinden maar binnen  de Europese Raad kwamen de lidstaten niet tot een akkoord. De gemiddelde duur van moederschapsverlof in de EU bedraagt nu 23 weken. De kortste duur is 14 weken en de langste 58,6 weken. België scoort hier met 15 weken dus erg laag.

De compensatiegraad van de moederschapsuitkering ten opzichte van het vorig verdiende loon ligt voor werkneemsters in België (2015) op ongeveer 77%, terwijl het EU-gemiddelde 90% bedraagt en er toch ook al dertien lidstaten 100% uitbetalen. En bij ons is de compensatiegraad voor geboorteverlof zelfs hoger dan die voor moederschapsverlof.

De wet van 12 juni 2020 tot wijziging van de periodes die plaatsvinden tijdens de voorbevallingsrust en in aanmerking kunnen worden genomen voor de verlenging van de nabevallingsrust en die terugwerkt tot 1 maart 2020, heeft de situatie van de vrouwen tijdens dat verlof verbeterd. Het gaat hier over de gelijkstelling van nieuwe afwezigheidsperiodes voor de verlenging van het moederschapsverlof. Als bijvoorbeeld ziekte zich voordoet in de prenatale periode dan kort dit het recht op verlof niet langer in. Dit is alvast een eis van de vrouwenbeweging die we kunnen schrappen.

Wat de Vrouwenraad nog wel vraagt is:

  • Een uitbreiding van het moederschapsverlof naar 20 weken;
  • Een verhoging van het uitkeringsniveau voor werkneemsters naar 100% van het loon;
  • Dat de overheden, de vakbonden en de werkgevers de problematiek van ‘zwangerschapsdiscriminatie’ en het opnemen van geboorteverlof hoog op de agenda zetten;
  • De opschorting van de degressiviteitsregels voor werkloze vrouwen tijdens hun moederschapsverlof.

 

Download documenten :
Federaal Vrouwenraadmemorandum uitgebreide versie 2019, p. 48-49, 73-77.
Resolutie_borstvoeding_commissie_Welzijn_Vl_Parlement_23mei_2017
Stand van zaken moederschapsverlof 2021
Naam van het kind
De Vrouwenraad is in 1996 beginnen lobbyen voor een wetswijziging van de naamgeving. Wij pleitten er toen voor dat de ouders binnen een bepaalde termijn na de geboorte een bewuste keuze moesten maken en de familienaam van één van beiden aan hun kind moeten geven. In 2011 hebben we ons standpunt aangepast en kozen we voor de dubbele naam met vrije keuze inzake de volgorde.

Naam van het kind

De Vrouwenraad  is in 1996 beginnen lobbyen voor een wetswijziging van de naamgeving. Wij pleitten er toen voor dat de ouders binnen een bepaalde termijn na de geboorte een bewuste keuze moesten maken en de familienaam van één van beiden aan hun kind moeten geven. In 2011 hebben we ons standpunt aangepast en kozen we voor de dubbele naam met vrije keuze inzake de volgorde.

De wet van 8 mei 2014 op de naamsoverdracht van de familienaam was voor de Vrouwenraad een belangrijke stap naar gelijkheid tussen de ouders of zoals wij het noemden ‘het wegwerken van de laatste grote directe discriminatie tussen mannen en vrouwen.’

Tot de inwerkingtreding van de wet van 8 mei 2014 droegen in België alle kinderen die binnen het huwelijk geboren werden de naam van de vader. Ook kinderen van ongehuwde ouders waarbij de verwekker het kind erkende vóór de geboorte of op het ogenblik van de aangifte van de geboorte, kregen de naam van de vader. Het was gewoon niet mogelijk deze kinderen de naam van de moeder te geven of de samengestelde familienaam van beide ouders.

De wet van 2014 liet ouders de keuze voor wat de familienaam van hun kinderen betrof: de dubbele familienaam, alleen de naam van de moeder of alleen de naam van de vader. Wanneer de ouders het echter niet eens raakten, of bij afwezigheid van een keuze, kreeg het kind automatisch de naam van de vader. Hij kreeg daardoor een vetorecht en kon dus vermijden dat het kind (ook) de familienaam van de moeder kreeg.

Eind november 2014 vroeg het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen - naar aanleiding van een klacht -  bij het Grondwettelijk Hof de vernietiging van dat wetsartikel  over het vetorecht van de vader. Deze bepaling discrimineerde vrouwen aldus het Instituut. Verschillende organisaties, waaronder de Vrouwenraad, sloten zich in januari 2015 hierbij als belanghebbende aan.

Op 14 januari 2016 velde het Grondwettelijk Hof een arrest inr. 2/2016. Het Hof oordeelde dat er inderdaad sprake was van discriminatie van moeders bij onenigheid over de naamsoverdracht. Het Hof stelde dat dergelijke ongelijke behandeling op grond van geslacht enkel kan gerechtvaardigd worden wanneer er zeer sterke overwegingen zijn. De overwegingen die aan de basis van de ongelijke behandeling in de wet van 8 mei 2014 lagen, achtte het Hof geen sterke overwegingen.

Het Hof heeft bijgevolg de bepaling afgeschaft die de vader bij onenigheid het vetorecht gaf. De wetgeving met vetorecht is in voege gebleven tot 31 december 2016. 

De kerstwet van 25 december 2016 over de naamsoverdracht bepaalt nu dat kinderen geboren vanaf 1 januari 2017 de naam van hun vader niet meer krijgen bij onenigheid tussen de ouders over de keuze van de familienaam of bij afwezigheid van naamkeuze. Volgens de nieuwe wet krijgen deze kinderen de dubbele naam die bestaat uit de naam van de moeder of de vader/meemoeder, in alfabetische volgorde.

Voor ons is deze zaak na 20 jaar Vrouwenraadlobbywerk afgehandeld!

Maar nu nog de praktijk…
Uit de geboortestatistieken tussen 1 juni 2014 en 31 december 2015 blijkt dat 90 % van de kinderen de enkelvoudige naam van de vader kreeg en 4,90% de dubbele naam. Bij meer dan 86% van de gekozen dubbele naam, kwam de naam van de vader als eerst.
(Handelingen Kamer 2015-2016, CRIV 54 COM 334).
In 2016 kregen 92.984 kinderen van de 103.829 Belgische geboortes de familienaam van de vader. 4.336 kinderen kregen de naam van de moeder (4,18%),  4.627 kinderen kregen de dubbele familienaam vader-moeder en 798 kinderen de dubbele familienaam van moeder-vader (0,77%). (DS 12 januari 2017 op basis van Rijksregister/FOD Binnenlandse Zaken).

In 2017 kregen 4.295 van de 101.071 aangegeven kinderen enkel de familienaam van de moeder bij de geboorteaangifte. In 2018 waren dat er 5.773 van de in totaal 98.547 aangiften, in verhouding een stijging van 40 procent ten opzichte van 2017. 91,2% van de Vlaamse ouders koos voor de naam van de vader. In Wallonië was dit het geval voor 85% van de ouders en in Brussel voor 83%. 8% van de Brusselse ouders koos voor de naam van de moeder, tegenover 7% in Wallonië en  4,7% in Vlaanderen. 7,6 % van de Brusselse ouders koos voor de dubbele naam. In Wallonië was dit het geval voor 6,9% van de ouders en in Vlaanderen  voor 3,3%.

Van de 53.480 kinderen met Belgische nationaliteit die in 2020 in Vlaanderen zijn geboren, kregen 2.088 een dubbele familienaam met volgorde vader-moeder en 657 een dubbele familienaam moeder-vader. In totaal is het aandeel van de dubbele familienaam iets meer dan 5%. 48.576 kregen enkel de naam van de vader, 2.159 enkel de naam van de moeder. Voor heel België kregen 5.557 kinderen een dubbele familienaam vader-moeder en 1.353 een dubbele familienaam moeder-vader, van de in totaal 94.577 geborenen (DS 14 april 2021 op basis van FOD Binnenlandse zaken, afdeling Instellingen & Bevolking).

De FOD Binnenlandse Zaken verzamelt statistieken over de naamgeving. De gegevens omvatten de keuze voor namen die ouders doorgeven op het tijdstip van de aangifte van de geboorte. Deze cijfers moeten met de nodige omzichtigheid bekeken worden om volgende redenen:

  • De cijfers  baseren zich hoofdzakelijk op een vergelijking tussen de naam van de ouders en de naam van de kinderen om de naam van de kinderen te bepalen en hier is er een discrepantie vast te stellen tussen het aantal geboortes en het aantal aangegeven namen. Er is niet altijd een overeenkomst, bijvoorbeeld wanneer het kind een andere naam heeft dan die van de ouders.
  • Er kan niet vastgesteld worden of het kind het eerste gemeenschappelijke kind van het koppel is ofeen van de jongere kinderen binnen eenzelfde gezin.
  • Enkel wanneer beide afstammingsbanden tegelijk worden vastgesteld (bijvoorbeeld via het huwelijk, de prenatale erkenning of de erkenning op het tijdstip van de geboorte) op het tijdstip van de aangifte van de geboorte kunnen de ouders samen een keuze maken volgens een van de mogelijkheden conform de wet van 8 mei 2014. Een kind ten aanzien van wie enkel een afstammingsband langs moederszijde of langs vaderszijde werd vastgesteld op het tijdstip van de geboorte krijgt automatisch enkel de naam toegekend van de ouder in hoofde van wie de afstamming is vastgesteld. De statistische gegevens met betrekking tot de toekenning van de naam bij de geboorte bieden dus niet de mogelijkheid om een keuze van de ouders aan het licht te brengen.(De Kamer. Schriftelijke vragen en antwoorden.  QRVA 54 186, 15-05-2019,p. 273).

 

Download documenten :
Dossier naam van het kind 2016
Dossier stand van zaken naam van het kind 2015
Objectieve berekeningsmethode onderhoudsbijdrage voor kinderen
Voor het berekenen van de onderhoudsbijdrage voor kinderen voorziet de wet van 1 augustus 2010 tot bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen een aantal elementen waarop rechters hun bepaling van het bedrag moeten baseren.

Objectieve berekeningsmethode onderhoudsbijdrage voor kinderen 

Artikel 203 §1 van het Burgerlijk wetboek (BW) stelt dat de ouders naar evenredigheid van hun middelen moeten zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen. Indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind.

Wanneer de ouders uit elkaar gaan is het een hele klus om te bepalen wie wat moet betalen voor het levensonderhoud van de kinderen.

Artikel 1321 §1 van het Gerechtelijk wetboek verplicht de rechter die een beslissing neemt over de onderhoudsbijdrage voor het kind om acht criteria te beoordelen om het bedrag te kunnen vastleggen: de aard en het bedrag van de middelen van de ouders; de gewone kosten waaruit het budget van het kind is samengesteld en de wijze van begroting; de aard van de buitengewone kosten en het deel dat elke ouder voor zijn rekening moet nemen; de verblijfsregeling en de bijdragen in natura van elke ouder; het bedrag van de kinderbijslag en van sociale en fiscale voordelen die elke ouder voor het kind ontvangt; de inkomsten die elke ouder uit het genot van de goederen van het kind zou kunnen hebben; het aandeel van elke ouder in de tenlasteneming van alle kosten van het kind (zie opsomming art/ 203 §1 BW); de bijzondere omstandigheden. De wet van 21 december 2018 voert in deze paragraaf een tweede lid in waarbij de motiveringsplicht van de rechter uitbreidt naar alle overeenkomsten die worden gesloten tot vaststelling van de onderhoudsbijdragen (bijvoorbeeld regelingsakten voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming, akkoorden in de loop van de gerechtelijke procedure). De bedoeling is om de geschillen te beperken bij verzoeken tot herziening van het bedrag van de onderhoudsbijdrage. Artikel 203bis van het BW wordt door deze wet aangepast wat betreft de regeling van de buitengewone kosten. Dit zijn kosten die boven het budget voor het onderhoud van het kind gaan en niet opgenomen zijn in de vastgestelde onderhoudsbijdrage.

Oplossingen voor buitengewone kosten

Er is jaren veel onduidelijkheid geweest over welke kosten tot de buitengewone kosten kunnen gerekend worden. Er circuleerden verschillende lijsten bij verschillende familierechtbanken en hoven van Beroep. Ook advocaten en notarissen hadden vaak eigen lijsten voor hun modelovereenkomsten. Het Koninklijk Besluit van 22 april 2019 “tot vaststelling van de buitengewone kosten die voortvloeien uit artikel 203, § 1 van het Burgerlijk Wetboek en de wijze van tenuitvoerlegging ervan” bevat een gelimiteerde lijst van buitengewone kosten en een wijze van afrekening. Het gaat om veertien soorten kosten, onderverdeeld in drie categorieën: medische en paramedische kosten (vier soorten), schoolkosten (zeven soorten) en kosten verbonden aan de ontwikkeling van de persoonlijkheid en de ontplooiing van het kind (drie soorten). Er is ook ruimte voor een restcategorie: de overige kosten die de ouders in een gezamenlijk akkoord als buitengewone kosten benoemen of die de rechter als dusdanig kwalificeert. De wet bepaalt ook dat bij gerechtelijke beslissing of overeenkomst kan afgeweken worden van de lijst van het KB.

Berekeningsmethode(s)

Voor het berekenen van de onderhoudsbijdrage  voor kinderen voorziet de wet van 19 maart 2010 "tot bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen" een aantal elementen waarop rechters hun bepaling van het bedrag moeten baseren.
De Koning kan (via een KB) een berekeningswijze voorstellen van 2010. Vooraleer dit gebeurt moet een Commissie voor onderhoudsbijdragen, die door de wet van 2010 voorzien is, een objectieve methode of methodes voor de berekening van de onderhoudsbijdragen voor de kinderen voorstellen. Op deze methode(s) kunnen rechters zich dan baseren om de kosten voor de kinderen te kunnen ramen.  
De Vrouwenraad maakt deel uit van de Commissie Onderhoudsbijdragen.

De Commissie voor onderhoudsbijdragen is in 2016 van start gegaan en werkt aan aanbevelingen aan de minister van Justitie en de minister bevoegd voor de gezinnen om:

  • de kosten van het onderhoud, de opvoeding en de vorming voor de kinderen van gescheiden ouders te berekenen;
  • de bijdrage van elke ouder in de financiering van deze kosten vast te stellen.

Tijdens de eerste twee jaar van haar mandaat heeft de Commissie verschillende Belgische en buitenlandse experten gehoord die de verschillende methoden om de berekening van onderhoudsbijdragen te objectiveren, kwamen toelichten.
De Commissie heeft eveneens gewerkt aan de verduidelijking van de begrippen gewone en buitengewone kosten, dat geresulteerd heeft in een advies in functie van het KB van 22 april 2019. 

In 2017-2018 zette de Commissie haar onderzoek met betrekking tot de verschillende evaluatiemethoden van de onderhoudsbijdragen verder.
De Commissie voert in 2019-2020 een meer diepgaande vergelijkende analyse uit van de verschillende reeds bestaande methoden.

Meer info:

 

Opinie 'Laten we panels zonder vrouwen naar de prullenmand verwijzen!'
Met de lokale verkiezingen van oktober 2018 en de Vlaamse, federale en Europese verkiezingen van oktober 2019 in aantocht is het debatseizoen officieel aangebroken. Politieke en andere debatten zijn het uitgelezen middel voor burgers en politici om meningen uit te wisselen, standpunten af te toetsen en in te nemen, netwerken uit te bouwen en participatie te promoten. Het open – en dus voor iedereen toegankelijk – debat is de kern van onze democratie.

Ondertekenaars            Tips voor een evenwichtig M/V panel

Met de lokale verkiezingen van oktober 2018 en de Vlaamse, federale en Europese verkiezingen van oktober 2019 in aantocht is het debatseizoen officieel aangebroken. Politieke en andere debatten zijn het uitgelezen middel voor burgers en politici om meningen uit te wisselen, standpunten af te toetsen en in te nemen, netwerken uit te bouwen en participatie te promoten. Het open – en dus voor iedereen toegankelijk – debat is de kern van onze democratie.

Net daarom is het pijnlijk om vast te stellen dat anno 2018 nog te veel debatten de helft van de wereldbevolking uitsluiten. Of het nu gaat om debatten georganiseerd door studentenclubs, conferenties van het sociaal werk of andere, all male panels blijven hardnekkig de kop opsteken. De Open Society Foundations onderzocht in een recent rapport het aandeel van mannelijke en vrouwelijke sprekers in high level Europese conferenties tussen 2012 en 2016. Ze kwamen tot de vaststelling dat het ging om 75 % mannen en 25 % vrouwen. Bovendien zijn de mannen die eraan deelnemen onderling evenmin een toonbeeld van diversiteit. Vaak zijn ze wit en hoogopgeleid, en komen ze uit dezelfde leeftijdscategorie. Die zichtbaarheid in debatten bevordert hun carrièrekansen, ze kunnen zich profileren en ze worden (h)erkend waardoor ze nog meer gevraagd worden. Vrouwen blijven verstoken van al deze voordelen.

Wie het begrip all male panel googelt merkt al gauw dat het een internationaal fenomeen is dat de politieke grenzen van links en rechts overstijgt. Conservatieve en machistische beleidsmakers zorgden echter recent voor uitwassen, zoals toen de Amerikaanse president Trump het gezondheidsbeleid voor vrouwen aan een groep uitsluitend mannelijke raadgevers overliet. Een dergelijk brede genderkloof is problematisch, want beleid moet gevoerd worden met input van alle groepen uit de maatschappij. Die diversiteit is cruciaal om evenwichtig te besturen en niemand achter te laten.
 

In de kritiek die onder meer op sociale media weerklinkt lezen en horen we vaak dezelfde argumenten: we hebben de vrouwen gevraagd maar ze konden/wilden niet, het debat wordt mee georganiseerd door vrouwen dus is er geen probleem, we nodigen geen sprekers uit op geslacht maar op expertise, vrouwen hebben geen expertise over dit onderwerp enz. Onzin natuurlijk, tenminste wanneer we er vanuit gaan dat vrouwen even intelligent en welbespraakt zijn als mannen en evenveel recht hebben op spreektijd in het publieke debat.
 

Een overwicht aan mannelijke sprekers bevestigt de seksistische beeldvorming dat mannen betere sprekers en natuurlijke leiders zijn. All male panels sturen de boodschap uit dat de stem van meisjes en vrouwen minder belangrijk is. Panels zonder vrouwen zijn echter niet zonder risico: de belangen van vrouwen worden gemakkelijker over het hoofd gezien.
Over panels zonder vrouwen valt eigenlijk maar één zinnig ding te zeggen: dat ze verbannen moeten worden naar de prullenmand. Daarom roept de Vrouwenraad samen met een brede waaier van ondertekenaars op om panels zonder vrouwen af te zweren. Want als we vrouwen en minderheidsgroepen niet bewust betrekken bij het debat, worden ze onbewust uitgesloten. Geen excuses meer, in het verkiezingsseizoen 2018-2019 spelen vrouwen mee!

 

Deze opinie is ondertekend door:

  • Yasmina Akhandaf, medeoprichter BOEH!
  • Walter Andino, activist
  • Wouter Arrazola de Oñate, medisch directeur VVRGT
  • Abdelkarim Bellafkih, voorzitter Free Hands en voorzitter Federatie van Marokkaanse Verenigingen
  • Stijn Belmans, coördinator Uit De Marge vzw
  • Helen Blow
  • Eva Brumagne, directeur Femma
  • Vera Claes, nationaal secretaris zij-kant, de progressieve vrouwenbeweging
  • Ludo De Brabander, woordvoerder Vrede vzw
  • Eefje de Kroon, directeur Liga voor Mensenrechten vzw
  • Cis Dewaele, stafmedewerker Steunpunt Algemeen Welzijnswerk vzw
  • Mohamed El Khalfioui, coördinator Kif Kif
  • Mireille Gysens
  • Ciska Hoet, directie RoSa
  • Karolien Huyghe, initiatiefnemer Gastvrij Antwerpen
  • An Lescrauwaet, Famba
  • Katrien Merckx, coördinator De Groene Waterman - Femina Libera
  • Assia Missaoui, HR-expert Wanna Work
  • Karin Nelissen, algemeen coördinator Buurtwerk 't Lampeke vzw
  • Carien Neven, verbondsecretaris beweging.net Limburg
  • Bieke Purnelle, directie RoSa
  • Kirsten Saenen
  • Annemie Segers
  • Monique Spithoven
  • Bogdan Vanden Berghe, directeur 11.11.11
  • Esther Vandebosch, klinisch psycholoog & psychotherapeut
  • Elke Vandeperre, coördinator vzw Motief
  • Christine Vandewalle
  • Martine Van Santvliet
  • Steven Vansteenkiste
  • Inga Verhaert, voorzitter zij-kant, de progressieve vrouwenbeweging
  • Annemie Verhoeven, verbondssecretaris beweging.net Antwerpen
  • Lieven Verlinde Gevaert, adjunct-coördinator Buurtwerk 't Lampeke vzw
  • Ellen Verryt,  Feminisme Yeah

Politieke partijen

  • sp.a

Organisaties

  • ella, kenniscentrum gender en etniciteit
  • Boeh, Baas Over Eigen Hoofd
  • Femma, eigentijdse en eigenzinnige vrouwenorganisatie
  • Furia, feministische denktank
  • Hart boven Hard
  • HVV-Vrijzinnige Vrouwen koepel
  • Kif Kif
  • KVLV, Vrouwen met vaart, de grootste vrouwenvereniging van Vlaanderen
  • Motief vzw
  • RoSa, kenniscentrum voor gender en feminisme
  • Vrouwenraad
  • Vrouw & Maatschappij, CD&V politica
  • zij kant, de progressieve vrouwenbeweging

Politici

  • Rob Beenders, Vlaams volksvertegenwoordiger sp.a
  • Jan Bertels, Vlaams volksvertegenwoordiger sp.a
  • Bart Caron, Vlaams volksvertegenwoordiger Groen
  • Youro Casier, federaal volksvertegenwoordiger sp.a en burgemeester Wervik
  • John Crombez, voorzitter sp.a
  • Alexander De croo, vicepremier en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecom en Post Open-VLD
  • Herman De Croo, Vlaams volksvertegenwoordiger Open VLD
  • Roel Deseyn, federaal volksvertegenwoordiger CD&V
  • Leen Dierick, federaal volksvertegenwoordiger CD&V
  • Sven Gatz, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Media en Brussel Open-VLD
  • Annick Lambrecht, federaal volksvertegenwoordiger sp.a
  • Nahima Lanjri, federaal volksvertegenwoordiger CD&V
  • Els Van Hoof, federaal volksvertegenwoordiger CD&V en gemeenteraadslid Leuven
  • Lise Vandecasteele, Antwerps OCMW-raadslid PVDA
  • Gitta Vanpeborgh, schepen stad Mortsel sp.a
  • Peter Vanvelthoven, federaal volksvertegenwoordiger sp.a
  • Johan Verstreken, Vlaams volksvertegenwoordiger CD&V
  •  Sophie Wilmès, minister van Begroting, belast met de Nationale Loterij MR

Academisch

  • Karel Arnaut, hoofddocent Faculteit Sociale Wetenschappen KU Leuven
  • Mattias De Backer, postdoctoraal onderzoeker LINC – KU Leuven
  • Valerie de Craene, onderzoeker sociale en economische geografie KU Leuven
  • Sarah De Saege, hoogleraar UGent, Vakgroep bioanalyse
  • Pascal Debruyne, postdoctoraal onderzoeker UGent, vakgroep Conflict & Development Studies
  • Warda El-Kaddouri, literatuurwetenschapster UGent
  • Nadia Fadil, hoofddocent Antropologie KU Leuven
  • Hans Grymonprez, special fellow FW0 UGent, vakgroep Sociaal Werk en Sociale Pedagogiek
  • Silke Jaminé, doctoraatsstudent KU Leuven, Interculturalism, Migration and Minorities Research Centre
  • Anneleen Kenis, docent King's College, Londen
  • Maarten Loopmans, hoofddocent faculteit Wetenschappen KU Leuven
  • Stijn Oosterlynck, hoofddocent stadssociologie UA
  • Katia Segers, Associate Professor Departement of Media Studies VUB, Co-director Centre for Culture, Emancipation, Media and Society (CEMESO)
  • Michel Vandenbroeck, hoofddocent vakgroep Sociaal Werk en Sociale Pedagogiek, Unive
Download documenten :
Hoe een genderevenwichtig panel maken?
Ouderschapsverlof
Ouderschapsverlof behoort in België tot de cluster van thematische verloven, samen met het verlof voor medische bijstand, het palliatief verlof en hetmantelzorgverlof.

Ouderschapsverlof

Ouderschapsverlof behoort in België tot de cluster van thematische verloven, samen met het verlof voor medische bijstand, het palliatief verlof en het mantelzorgverlof.

Werknemers hebben het recht om ouderschapsverlof te nemen om voor hun kind(eren) te zorgen tot de leeftijd van 12 jaar. Dat kan voltijds, halftijds, 1/5de of 1/10de.

Het ouderschapsverlof kent het grootste succes in Vlaanderen. De opname van ouderschapsverlof neemt zowel in Vlaanderen als gans België geleidelijk toe sinds de invoering ervan en het aandeel vrouwen neemt geleidelijk af doorheen de jaren.

In 2020 nemen zowel vrouwen als mannen in absolute getallen het vaakst de 1/5de onderbreking. Het aandeel vrouwen in Vlaanderen ligt in 2020 op ca. 77,5% bij voltijdse onderbreking, op 79,5% bij halftijdse onderbreking, op 60,5% bij de 1/5de onderbreking en op 52,5% bij de 1/10de regeling.

Werknemers die ouderschapsverlof nemen, ontvangen voor deze onderbreking op federaal niveau een forfaitaire uitkering van de RVA en op Vlaams niveau een aanmoedigingspremie zorgkrediet, mits aan voorwaarden te voldoen. 

Meer info in onderstaande dossiers:

Download documenten :
Ouderschapsverlof stavaza 2021
Dossier Stand van zaken Ouderschapsverlof 2016
Prenatale erkenning kind
Sinds 1 april 2017 krijgt een ongehuwde partner (toekomstige papa of meemoeder) de mogelijkheid om een kind vóór de geboorte te erkennen vanaf het begin van de zwangerschap van de toekomstige mama.

Prenatale erkenning van het kind

Sinds 1 april 2017 krijgt een ongehuwde partner (toekomstige papa of meemoeder) de mogelijkheid om een kind vóór de geboorte te erkennen vanaf het begin van de zwangerschap van de toekomstige mama.

Tot voor die datum was er geen eenduidigheid bij de ambtenaren van de burgerlijke stand. Een aantal ambtenaren vroegen een attest  waarin stond dat de toekomstige mama al minstens zes maanden zwanger was. In andere gemeenten stelden ze dan weer geen voorwaarden.

 

Download documenten :
Prenatale erkenning kind 2017
Prostitutie
Prostitutie is nauw verbonden met vrouwen- en mensenhandel en met de seksindustrie. Ook na de Vierde VN-Wereldvrouwenconferentie in Peking in 1995 worden nog meer vrouwen en kinderen verhandeld dan voorheen en bloeit de seksindustrie als nooit tevoren. Het gebruik van internetsites als handelsruimte neemt toe. Tijd om prostitutie vanuit een nieuw perspectief te bekijken! Onderzoek in landen waar prostitutie als beroep gelegaliseerd werd, zoals in Nederland, toont negatieve effecten voor de vrouwen en meisjes in kwestie.

Prostitutie

Prostitutie is nauw verbonden met vrouwen- en mensenhandel en met de seksindustrie. Ook na de Vierde VN-Wereldvrouwenconferentie in Peking in 1995 worden nog meer vrouwen en kinderen verhandeld dan voorheen en bloeit de seksindustrie als nooit tevoren. Het gebruik van internetsites als handelsruimte neemt toe. Tijd om prostitutie vanuit een nieuw perspectief te bekijken! Onderzoek in landen waar prostitutie als beroep gelegaliseerd werd, zoals in Nederland, toont negatieve effecten voor de vrouwen en meisjes in kwestie.

Het prostitutiesysteem is een schending van de vrouwenrechten. Gendermechanismen bepalen in grote mate hoe de maatschappij naar prostitutie kijkt. We willen nagaan hoe we een einde kunnen stellen aan de tolerantie van een samenleving voor de wijdverspreide seksuele en economische uitbuiting van personen in het prostitutiesysteem, voornamelijk vrouwen. Meer en meer komt men tot de overtuiging dat het prostitutiesysteem ongelijkheid in stand houdt, tot onderdrukking en geweld leidt en dat dit onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. De Vrouwenraad onderschrijft het 'Manifest tegen het prostitutiesysteem' van de Conseil des femmes francophones de Belgique en de Brussels Call van de Europese Vrouwenlobby ‘Voor een Europa vrij van prostitutie’.

    De Vrouwenraad is van mening dat:

  • prostitutie geen beroep is en ook geen activiteit binnen een bepaalde sector
  • eksualiteit geen koopwaar is
  • het prostitutiesysteem een 'handelsvorm' is gebaseerd op seksistische, racistische en klasseparameters dat moet afgeschaft worden       

    Daarom verwerpt de Vrouwenraad:

  • alle vormen van 'pooierschap'
  • tolerantie voor pornografie in en door de media
  • legalisering en depenalisering van het pooierfenomeen, omdat de internationale mensenhandel daardoor zou kunnen toenemen
  • elk systeem van prostitutie

    De Vrouwenraad wil:

  • een ambitieus politiek beleid dat op lange termijn een maatschappelijk project ontwikkelt en een visionair en realistisch project dat gelijkheid v/m vooropstelt
  • dat prostitutie opgenomen wordt in de wetgeving over geweld in al zijn vormen
  • een uitstapplan voor personen die de prostitutie willen verlaten
Download documenten :
Manifest tegen het prostitutiesysteem 2012
Prostitutie - Doorbreek de stilte 2014
Standpuntvoostel 2002
Brussels' Call - ‘Together for a Europe free from prostitution’ 2012
Brief aan de leden van de Commissie van de vrouw en gendergelijkheid van het Europees Parlement 2013
Programma Internationale Conferentie
18 mythes over prostitutie
Tienerpooiers
Op 11 oktober 2018 nodigden we Saskia van Nieuwenhove (Nest vzw) uit voor onze Raad van Bestuur om toelichting te geven over de opvang van meisjes die het slachtoffer werden van tienerpooiers. De laatste jaren komt deze complexe problematiek ook in ons land steeds vaker aan bod. Onderstaand dossier wilt u een overzicht bieden van de huidige stand van zaken, de aangereikte oplossingen en toekomstige aandachtspunten. Indien uw vragen hieronder niet beantwoord worden, verwijzen we u door naar één van de organisaties die zich specialiseren in dit thema.

Dossier tienerpooiers

Op 11 oktober 2018 nodigden we Saskia van Nieuwenhove (Nest vzw) uit voor onze Raad van Bestuur om toelichting te geven over de opvang van meisjes die het slachtoffer werden van tienerpooiers. De laatste jaren komt deze complexe problematiek ook in ons land steeds vaker aan bod. Onderstaand dossier wilt u een overzicht bieden van de huidige stand van zaken, de aangereikte oplossingen en toekomstige aandachtspunten. Indien uw vragen hieronder niet beantwoord worden, verwijzen we u door naar één van de organisaties die zich specialiseren in dit thema.

Context en definitie

In 2016 voerde Child Focus, in opdracht van Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Jo Vandeurzen , een exploratief onderzoek uit naar het fenomeen met als doel een plan van aanpak voor slachtoffers van tienerpooiers.

Directe aanleiding was een zaak die in 2015 aan het licht kwam: twee tienermeisjes van respectievelijk 14 en 15 jaar hadden twee nachten in een Antwerpse politiecel doorgebracht. In eerste instantie werden zij als “probleemjongeren” beschouwd. Na onderzoek bleken ze echter het slachtoffer te zijn van tienerpooiers – in de media toen ook ‘loverboys’ genoemd. Dit voorval toonde niet alleen aan dat er in Vlaanderen onvoldoende kennis en inzicht was over deze problematiek, maar ook het ontbrak aan aangepaste opvang en begeleiding voor deze slachtoffers.

Vlaanderen

Het onderzoek van Child Focus vormt dé basis voor de Vlaamse aanpak rond tienerpooiers en daarom nemen wij de definitie over die zij hanteren: “Tienerpooiers zijn mensenhandelaars die tieners doelbewust feitelijk afhankelijk en emotioneel aanhankelijk maken om hen vervolgens – via misleiding, dwang, fysiek, psychisch geweld en/of misbruik van kwetsbaarheid – uit te buiten in de prostitutie”. Deze definitie maakt duidelijk waarom de term ‘loverboys’ misleidend is. Het  gaat om de methode(s) die tienerpooiers hanteren, en die gaan verder dan het misbruiken van verliefdheid.

Uit het hele onderzoek blijkt duidelijk dat de problematiek bijzonder complex is. Zo zijn er bijvoorbeeld geen ‘typische’ slachtoffers en dadersprofielen – al zijn er wel risicofactoren en kenmerken. Het actieplan schuift daarom 4 ‘p’s’  naar voren. Kort samengevat is er nood aan samenwerking tussen experten, politie, welzijn en justitie om preventie, bescherming en opvang van slachtoffers en vervolging van daders te verwezenlijken. De eerste stappen om tienerpooiers in Vlaanderen te bestrijden, werden gezet. Toch blijft er ruimte voor verbetering. Zo schreef Vrouw en Maatschappij in 2018 een dossier met beleidsaanbevelingen en besloot Saskia van Nieuwenhove zelf slachtoffers op te vangen. Het actieplan werd intussen geactualiseerd.

In 2019 vroeg Child Focus opnieuw aandacht voor het probleem, met name om ook onderzoek in Brussel en Wallonië uit te voeren zodat ook op federaal niveau een efficiënt beleid kan worden gevoerd. Het Vlaams Regeerakkoord vermeldt dat er “blijvend ingezet [wordt] op gespecialiseerde opvang en integrale begeleiding van slachtoffers van tienerpooiers maar ook voor opvang van niet-begeleide minderjarige vluchtelingen die het slachtoffer zijn van mensenhandel.”

Tegelijkertijd worden nieuwe tendensen opgetekend in het fenomeen: zo gebeurt rekrutering van slachtoffers steeds vaker online en is er steeds meer sprake van financiële afhankelijkheid in plaats van emotionele. Daardoor krijgt de thematiek in sommige gevallen overlap met cybergeweld.

Internationaal

Zoals al blijkt uit het Vlaamse regeerakkoord, is het noodzakelijk om een internationale blik te hebben wanneer we tienerpooiers, en alle andere vormen van mensenhandel, efficiënt willen bestrijden. Hieronder geven we een overzicht van relevante richtlijnen en verdragen.

  • De Europese Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan beschrijft welke daden onder mensenhandel kunnen vallen en welke de minimumstraffen daarvoor zijn. Daarnaast voorziet ze gemeenschappelijke maatregelen om mensenhandel te voorkomen en slachtoffers beter te beschermen en begeleiden. Zo mogen lidstaten burgers vervolgen voor in een ander land gepleegde strafbare feiten. Dat is goed nieuws voor de vervolging van tienerpooiers, die steeds vaker deel uitmaken van (internationale) netwerken , en nu nog te vaak te licht gestraft worden.
  • De Europese Richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie definieert misdrijven en legt minimumregels op voor de definitie van strafbare feiten en voor de bestraffing van deze misdaden. Ze legt de verzwarende omstandigheden vast en maakt internetmisdrijven, de verspreiding van kinderpornografie via het web strafbaar. De Richtlijn voorziet ook maatregelen voor de preventie van dergelijke misdaden en voor een betere bescherming van de slachtoffers. Een belangrijke richtlijn gezien de toenemende online rekrutering van slachtoffers.
  • De Europese Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten verzekert rechten voor alle slachtoffers, onafhankelijk van hun verblijfsstatus en is in het bijzonder belangrijk voor (minderjarige) vluchtelingen die het slachtoffer zijn van tienerpooiers.
  • De Resolutie van het Europees Parlement 2018/C 346/04 over de strijd tegen cybercriminaliteit verzoekt om duidelijkere richtlijnen omtrent de strafbaarheid van cybercriminaliteit.

Bestaand materiaal en organisaties

Op korte tijd is de kennis omtrent tienerpooiers sterk toegenomen. Hieronder vindt u een overzicht.

  • Behalve hun baanbrekende rapport, lanceerde Child Focus onder meer de website stoptienerpooiers.be en de tool Girl Power Squad waarmee ze kwetsbare meisjes willen wapenen tegen het fenomeen.
  • Zijn vzw, organisatie tegen geweld, organiseerde in 2015 en 2016 een studiedag waarop de thematiek van tienerpooiers behandeld werd.
  • Payoké ontpopte zich in 2019 tot expertisecentrum rond tienerpooiers en ijvert voor een gespecialiseerd meldpunt voor slachtoffers. Ze ontwikkelden onder meer een Engelstalige check-list om slachtoffers en tienerpooiers te identificeren en een dossier met getuigenissen.
  • Nest vzw is een organisatie die zich bezighoudt met de opvang en ondersteuning van slachtoffers van tienerpooiers die buiten de mazen van het jeugdzorgnet vallen. Daarnaast adviseren ze het beleid.
  • Vrouw en Maatschappij schreef een dossier met beleidsaanbevelingen.
  • SENSOA heeft op de website allesoverseks.be een dossier over tienerpooiers. Daarneest heeft de organisatie een vlaggensysteem ontwikkeld om jongeren te sensibiliseren over grensoverschrijdend seksueel gedrag.

In de pers:

https://www.knack.be/nieuws/belgie/tienerprostitutie-jonge-meisjes-staan-binnen-48-uur-online-om-hun-eerste-klant-te-ontvangen/article-longread-1406687.html

https://www.demorgen.be/nieuws/hier-wordt-de-lingerie-waarmee-de-tienermeisjes-op-sekssites-stonden-niet-gewassen-maar-kapotgeknipt~b11aa7b1/

https://www.sampol.be/2019/03/waarom-worden-slachtoffers-opgesloten

https://www.gva.be/cnt/dmf20190320_04270661/aanpak-tienerpooiers-prioriteit-voor-justitie-en-hulpverlening

https://sociaal.net/achtergrond/tienerpooiers/

https://www.standaard.be/cnt/dmf20190107_04084546

https://www.stampmedia.be/artikel/de-strijd-tegen-tienerpooiers-als-we-jeugdinstellingen-gaan-praten-zie-je-soms-verzorgers

https://www.humo.be/humo-archief/397023/in-de-klauwen-van-tienerpooiers-2-een-meisje-van-16-opsluiten-aanprijzen-op-escortsites-en-verkopen-wie-doet-er-nu-zoiets

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20190109_04089359

https://www.demorgen.be/nieuws/er-komt-een-vlaams-meldpunt-voor-tienerpooiers-probleem-is-veel-groter-dan-uit-de-cijfers-blijkt~be7d603e/

https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2019/01/08/getuigenis-slachtoffers-tienerpooiers/

https://www.dewereldmorgen.be/community/child-focus-vraagt-opnieuw-aandacht-voor-de-tienerpooier-problematiek-in-belgie/

Tijdskrediet
Loopbaanonderbreking gaf/geeft werknemers en ambtenaren sinds 1985 de kans om hun beroepsactiviteit tijdelijk te onderbreken of te verminderen met een maandelijkse RVA-uitkering tijdens die onderbreking (en later ook een Vlaamse aanmoedigingspremie), een bescherming tegen ontslag, de verdere uitoefening van de job zoals voorheen en een aantal socialezekerheidsrechten. Enkel voor werknemers uit de privé-sector wordt het stelsel van loopbaanonderbreking sinds 2002 vervangen door het stelsel van tijdskrediet.

Tijdskrediet

Loopbaanonderbreking geeft werknemers en ambtenaren sinds 1985 de kans om hun beroepsactiviteit tijdelijk te onderbreken of te verminderen, met een maandelijkse RVA-uitkering tijdens die onderbreking (en later ook een Vlaamse aanmoedigingspremie), een bescherming tegen ontslag, de verdere uitoefening van de job zoals voorheen en een aantal socialezekerheidsrechten, zoals (een gedeeltelijke) gelijkstelling voor opbouw van pensioenrechten. Enkel voor werknemers uit de privé-sector wordt het stelsel van loopbaanonderbreking sinds 2002 vervangen door het stelsel van tijdskrediet.

Het stelsel van tijdskrediet ondergaat een hervorming in 2012 naar aanleiding van besparingen. Er komt een onderscheid tussen gemotiveerd en niet-gemotiveerd tijdskrediet en eindeloopbaankrediet. In 2015 wordt de uitkering voor niet-gemotiveerd tijdskrediet afgeschaft.

Tijdskrediet wordt vaak genomen wanneer het ouderschapsverlof opgebruikt is. De voorwaarden voor tijdskrediet zijn wel strenger dan voor ouderschapsverlof.

Tabel: Evolutie tijdskrediet in België en Vlaanderen – jaargemiddelden – totaal: met uitkeringen (volledige onderbreking, vermindering van prestaties algemeen stelsel, vermindering van prestaties eindeloopbaan) en zonder uitkeringen (zonder motief en totaal) – inclusief Tijdskrediet Corona 2020 - naar geslacht

  België     Vlaanderen   
   T M V %V T M V %V
 2012 142.805 54.293 88.512  61,98 101.671 39.753 61.918  60,90
 2013 137.998 51.482 86.517  62,69 98.544 37.876 60.668  61,56
 2014 139.058 51.487 87.571  62,93 99.772 38.075 61.697  61,83
 2015 149.268 56.759 92.509  61,97 108.668 42.624 66.045  60,77
 2016 138.650 52.707 85.944  61,98 101.234 39.744 61.490  60,74
 2017 130.832 50.246 80.586  61,59 95.742 38.125 57.618  60,18
 2018 122.028 46.795 75.233  61,65 89.708 35.826 53.882  60,06
 2019 117.271 46.764 70.507  60,12 86.852 36.256 50.596  58,25
 2020 103.483 43.443 60.040  58,01 76.972 33.885 43.087  55,97
 Bron op basis van RVA Statistieken - Tijdskrediet

Bij tijdskrediet ‘totaal’ in Vlaanderen maken vrouwen tussen 2012 en 2018 ca. 60% uit van de gebruikers en in 2020 nog 56%.

In absolute getallen is er een gestage daling bij alle vormen van onderbreking tussen 2012 en 2021.

Tabel: Evolutie tijdskrediet in België en Vlaanderen – jaargemiddelden - volledige onderbreking - naar geslacht

   België     Vlaanderen   
   T M V %V T M V %V
 2012 6.867 1.598 5.268  76,71 4.455 945 3.440  77,21
 2013 6.018 1.385 4.633  76,98 3.852 886 2.966  76,99
 2014 5.790 1.403 4.387  75,76 3.723 909 2.814  75,58
 2015 5.755 1.204 4.074  70,79 3.464 783 2.681  77,39
 2016 3.698 506 3.192  86,31 2.444 330 2.114  86,49
 2017 3.642 461 3.181  87,34 2.385 311 2.074  86,96
 2018 4.140 518 3.622  87,48 2.749 357 2.392  87,01
 2019 4.204 507 3.698  87,96 2.818 356 2.462  87,36
 2020 4.124 489 3.635  88,14 2.763 353 2.410  87,22
 Bron op basis van RVA Statistieken - Tijdskrediet

Vrouwen zijn de belangrijkste gebruikers van tijdskrediet met volledige onderbreking: in 2020 ca. 88%.

Tabel: Evolutie tijdskrediet in België en Vlaanderen – jaargemiddelden – vermindering van prestaties algemeen stelsel - naar geslacht

   België     Vlaanderen   
   T  M V %V T M V %V
 2012  41.874 7.596 34.278  81,85 30.572 5.634 24.938  81,57
 2013 45.316 8.885 36.431  80,39 33.131 6.664 26.483  79,93
 2014 50.118 10.146 39.973  79,75 36.594 7.547 29.048  79,37
 2015 54.089 10.832 43.257  79,97 39.756 8.054 31.702  79,74
 2016 47.969 9.462 38.507  80,27 35.287 7.052 28.235  80,01
 2017 42.603 8.444 34.159  80,17 31.444 6.321 25.122  79,89
 2018 41.852 8.010 33.842  80,86 30.943 6.078 24.865  80,35
 2019 39.998 7.566 32.431  81,08 29.439 5.762 23.677  80,42
 2020 32.698 6.403 26.295  80,41 23.954 4.841 19.113  79,79
 Bron op basis van RVA statistieken - Tijdskrediet

 Bij deeltijds tijdskrediet blijft het aandeel vrouwelijke gebruikers al jaren schommelen rond 80%.

Tabel: Evolutie tijdskrediet in België en Vlaanderen - jaargemiddelden - vermindering vanprestaties algemeen eindeloopbaan - naar geslacht

   België     Vlaanderen   
   T M V %V T M V  %V
 2012 87.650 41.840 45.811  52,26 62.467 30.878 31.589  50,56
 2013 81.394 38.537 42.857  52,65 58.119 28.505 29.614  50,66
 2014 78.673 37.636 41.037  52,16 56.445 27.984 28.460  50,42
 2015 84.021 41.825 42.195  50,21 61.415 31.722 29.693  48,34
 2016 77.441 38.726 38.705  53,75 56.956 29.557 27.399  48,10
 2017 71.678 36.148 35.529  49,56 52.960 27.777 25.183  47,55
 2018 65.407 33.723 31.683  48,43 48.542 26.059 22.483  46,31
 2019 63.190 34.056 29.135  46,10 47.641 26.743 20.898  43,86
 2020 58.178 32.394 25.784  44,31 44.301 25.699 18.632  42;05
 Bron op basis van RVA Statistieken - Tijdskrediet

Na 2015 neemt het aantal eindeloopbaners dat tijdskrediet opneemt geleidelijk af. Sinds 2015 wordt het aandeel mannen in de eindeloopbaanfase dat tijdskrediet opneemt geleidelijk hoger dan het aandeel vrouwen: van fifty fifty m/v richting 60% voor mannen.

 

Tabel: Tijdskrediet Corona in België en Vlaanderen - jaargemiddelde - algemeen stelsel - naar geslacht

  België Vlaanderen
  T M V %V T M V %V
2021   0 1     0 0  

 

Tabel: Tijdskrediet Corona in België en Vlaanderen - jaargemiddelde - eindeloopbaan - naar geslacht

  België Vlaanderen
  T M V %V T M V %V
2021   4 3     3 2  

 

Download documenten :
Vrouwenraaddossier Tijdskrediet werknemers 2015
Verkrachting
De Vrouwenraad lobbyt al bijna tien jaar intensief om verkrachting en seksueel geweld op de beleidsagenda te krijgen. Wij verwachten dat het komende Nationaal Actieplan Geweld hier ruimschoots aandacht zal aan besteden en dat het federale beleid in overleg met de gemeenschappen concrete maatregelen zal nemen.

Verkrachting

De Vrouwenraad lobbyt al ruim tien jaar intensief om verkrachting en seksueel geweld op de beleidsagenda te krijgen. Wij zijn dan ook blij dat het vijfde Nationaal Actieplan ter bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld 2015-2019 hier ruimschoots aandacht aan besteedt en dat het federale beleid in overleg met de gemeenschappen concrete maatregelen zal nemen..

Onze aanbevelingen in een notendop:

Regelgeving

  • de verjaringstermijn voor volwassen slachtoffers minstens 15 jaar
  • incest in het Strafrecht =  verkrachting met verzwarende omstandigheden
  • afschaffing verjaringstermijn incest
  • concrete straftoemetingsrichtlijnen
  • aanpassing van de lijst met redenen van seponering

Slachtoffers

  • slachtoffers automatisch vrijgesteld van de gerechtskosten
  • een draaiboek voor slachtoffers van verkrachting in het buitenland
  • een evaluatie van de vergoedingen uitgekeerd aan slachtoffers

Magistraten en politie

  • meer sensibilisering, vorming en specialisatie van magistraten en politie
  • een werkproces
  • snel en efficiënt optreden t.a.v. de dader(s)
  • een objectieve en respectvolle houding t.o.v. de slachtoffers
  • aanpassing van de redenen van seponering en duidelijke motivatie van seponering

Multidisciplinaire aanpak

  •  een zedensectie in elk gerechtelijk arrondissement en
  •  een expertisecel Zeden met parket, politie, ziekenhuizen en hulpverlening
  •  uniforme werkmethodes voor een coherente behandeling van alle dossiers
  • degelijke financiering en uitrol van de zorgcentra na verkrachting
  • een expertenwerkgroep voor het fenomeen van de groepsverkrachting
  • een fenomeenonderzoek naar seksueel geweld onder invloed van DFSA

Daders

  • een nationaal register van seksuele delinquenten en link met DNA-databank veroordeelden
  • studie over daderprofielen m/v een overzicht van risicotaxatie-instrumenten; stakeholderdebat over de effectiviteit van behandelingsmodellen
  • alle zedendelinquenten in één gevangenis met begeleiding/therapie ofwel gespecialiseerde begeleiding binnen de gevangenissen, ook opvolging en begeleiding na de detentie;
  • aangepaste centra met een multidisciplinaire en geïntegreerde aanpak voor minderjarige daders

Zorgcentra na seksueel geweld

De regering 2015-2019 maakte werk van de opstart van de Zorgcentra na seksueel geweld in Gent, Brussel en Luik. In een Zorgcentrum na Seksueel Geweld kunnen recente slachtoffers van seksueel geweld alle mogelijke bijstand krijgen op één plaats. Het personeel, bestaande uit forensisch verpleegkundigen en psychologen, is specifiek opgeleid voor het verlenen van medische, forensische en psychologische hulp aan slachtoffers van seksueel geweld. Het slachtoffer kan op het Zorgcentrum ook klacht indienen bij een getrainde zedeninspecteur van de politie. De Zorgcentra zijn dag en nacht bereikbaar maar niet iedereen durft echter onmiddellijk de stap te zetten. Daarom is er sinds 10 april 2019 een chatkamer geopend op www.seksueelgeweld.be, bemand door psychologen om de toegang tot de Zorgcentra te faciliteren.

Onze recentste acties:

We laten ook slachtoffers aan het woord via onze website www.ikzwijgnietmeer.be. (momenteel niet beschikbaar).  Dit is voor ons een belangrijke informatiebron om onze inzichten te verruimen en onze aanbevelingen bij te schaven. In de loop van 2019 herlanceren we deze website maar dan met de focus op cybergeweld.

Onze factsheet Seksueel geweld van februari 2016 geeft een overzicht van kerncijfers, gevolgen voor de slachtoffers/overlevers, en zet de feiten nog eens op een rij.

Op 7 maart 2016 lanceerden we de campagneclip #1is1teveel.

Op 20 november 2018 zetten we samen met vzw Zijn de kortfilm Quality time online, op onze vraag geschreven door Lynn Ryssen en geregisseerd door Kevin Hoed van het productiehuis Skladanowsky.

Bekijk en deel de trailer (-1 minuut)  Quality Time
Vzw Zijn ontwikkelde naar aanleiding van deze kortfilm ook:
Doe de zelftest
Download het stappenplan
 

Download documenten :
Fysiek en seksueel geweld op vrouwen in Kongo 2008

Interessante Links :
Dringende aanpassing 1712
Memorandum gelijkekansenbeleid v/m 'Gendergerelateerd Geweld' – verkiezingen 2019
Slachtoffers van verkrachting smeken om hulp!
Verkrachting: de schaamte en de stilte voorbij
Wordt Valentijnsdag het keerpunt in het beleid tegen verkrachting?
VN Vrouwenverdrag
In 1979 aanvaarden de Verenigde Naties het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen. Het zogenaamde vrouwenrechtenverdrag werd van kracht in 1981. Het verdrag omschrijft het begrip discriminatie en geeft artikelsgewijs aan welke discriminerende praktijken en wetten opgeheven moeten worden. Het gaat hierbij zowel over discriminaties m.b.t. het openbare domein als inzake het privéleven van vrouwen.

VN Vrouwenverdrag

In 1979 aanvaarden de Verenigde Naties het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen. Het zogenaamde vrouwenrechtenverdrag werd van kracht in 1981. Het verdrag omschrijft het begrip discriminatie en geeft artikelsgewijs aan welke discriminerende praktijken en wetten opgeheven moeten worden. Het gaat hierbij zowel over discriminaties m.b.t. het openbare domein als inzake het privéleven van vrouwen.

België bekrachtigde het Verdrag in 1985 en het aanvullend protocol in 2004. Het aanvullend protocol bij het verdrag laat privépersonen en verenigingen toe om zich tot het CEDAW-comité te richten als ze menen het slachtoffer te zijn van een inbreuk op het verdrag.

Het verdrag is juridisch bindend voor de staten die partij zijn bij het verdrag. De ondertekenende staten kunnen wel voorbehoud maken bij bepaalde artikelen. Een mogelijkheid waar heel wat staten gebruik van maken.

Een jaar na de bekrachtiging en daarna in principe om de vier jaar moeten de lidstaten verslag uitbrengen over de toepassing van het Verdrag voor het CEDAW-Comité, dat uit 23 onafhankelijke experts bestaat en moet toezien op de toepassing van het Verdrag.

Het Comité baseert zich zowel op verslagen van de overheid als op rapporten van civiele organisaties om de vooruitgang te kunnen evalueren. Het Comité kan ook beslissen om zelf een ‘terreinonderzoek’ uit te voeren. Op basis van hun onderzoeken formuleert het Comité beleidsaanbevelingen op maat van de Staten.

Daarnaast vaardigt het comité ook algemene aanbevelingen uit over welbepaalde thema’s. Anno 2021 bestaan er 38 algemene aanbevelingen die bijkomende uitleg verschaffen over de uitvoering en/of interpretatie van de bepalingen van het verdrag.

België bekrachtigde het Verdrag in 1985 en het aanvullend protocol in 2004. De federale regering rapporteert namens alle deelregeringen over de toepassing van het verdrag en over de opvolging die in België gegeven werd aan de aanbevelingen van het comité.

Oudere documenten van het CEDAW-Comité over België zijn nog terug te vinden op de website UN Human Rights (Treaty Body Database):

België diende het vijfde en zesde verslag tegelijk in één document in tijdens een hoorzitting op 21 oktober 2008. Het CEDAW-Comité formuleerde een aantal aanbevelingen voor de Belgische overheid op 7 november 2008.

Op 2 oktober 2012 diende België zijn zevende verslag in bij de Verenigde Naties. Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen was belast met de coördinatie van de redactie van dit verslag, waarin de nadruk wordt gelegd op de systematische toepassing van de genomen maatregelen en de resultaten die werden verkregen bij de uitvoering van het Verdrag op alle machtsniveaus. Het vermeldt de wijzigingen in de wetgeving en de juridische en administratieve praktijk die verband houden met het Verdrag sinds de indiening van het vorige verslag. België diende nog een antwoord op bijkomende vragen in op 28 mei 2014. De Vrouwenraad diende samen met de Conseil des Femmes francophones de Belgique (CFFB) in augustus 2014 een schaduwrapport in. België verdedigde zijn verslag op 28 oktober 2014 voor het CEDAW-Comité, dat zijn aanbevelingen formuleerde op 7 november 2014.

In 2019 dienden de Vrouwenraad en de CFFB proactief een volgend schaduwrapport in.

Op de website UN Human Rights (Treaty Body Database) verscheen nog een Annexe - Statistiques policières et judiciaires relatives aux violences basées sur le genre, ingediend op 18 november 2020.

 
Download documenten :
Vrouwenraaddossier VN Vrouwenverdrag Wereldvrouwenconferenties Peking Actieplatform 2021
Schaduwrapport 2019 over België door Vrouwenraad en CFFB
Schaduwrapport 2014 over België door CFFB en Vrouwenraad
Vrede
De Vrouwenraad ijvert voor vrede en wil dat vrouwen actief betrokken worden bij vredesprocessen en de opbouw van de samenleving. Immers, vrede is een voorwaarde voor respect voor de mensenrechten van vrouwen en voor ontwikkeling. Wie vrouwenrechten verdedigt kan niet om vrede heen. Anderzijds, kan wie vrede wil verankeren in de samenleving niet om vrouwen en gendergelijkheid heen. Vrede, (gender)gelijkheid en ontwikkeling zijn onderling sterk afhankelijk.

Vrede

De Vrouwenraad ijvert voor vrede en wil dat vrouwen actief betrokken worden bij vredesprocessen en de opbouw van de samenleving. Immers, vrede is een voorwaarde voor respect voor de mensenrechten van vrouwen en voor ontwikkeling. Wie vrouwenrechten verdedigt kan niet om vrede heen. Anderzijds, kan wie vrede wil verankeren in de samenleving niet om vrouwen en gendergelijkheid heen. Vrede, (gender)gelijkheid en ontwikkeling zijn onderling sterk afhankelijk.

Vrede is meer dan afwezigheid van oorlog en geweld. Het gaat om meer dan een staakt het vuren, militaire veiligheid en de organisatie van verkiezingen. Vrede moet gedragen worden in de samenleving. De oorlogslogica die uitgaat van ‘dominantie denken’ en het recht van de sterkste moet vervangen worden door respect voor mensenrechten, bevorderen van geweldloosheid en van gelijke rechten, kansen én toegang tot goederen, diensten, kennis, macht, besluitvorming… . voor alle leden van de bevolking. De herschikking van de genderrelaties en de macht tussen vrouwen en mannen is hiervan een belangrijk onderdeel.

De Vrouwenraad heeft aandacht voor al deze aspecten maar legt de nadruk op de dimensie gender en de rol van vrouwen als vredesactoren. Het uitgangspunt hierbij is de uitvoering van Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over ‘vrouwen, oorlog en vrede’ (31 oktober 2015).

Resolutie 1325 is een mijlpaal in de geschiedenis. Rechten van vrouwen staan voor het eerst expliciet op de agenda van de Veiligheidsraad. Baanbrekend is echter de bevestiging van het recht van vrouwen op volwaardige deelname aan de besluitvorming in alle fasen van een conflict en in de ontwikkeling van staten en de samenleving. De mensenrechten van vrouwen moeten gerespecteerd worden en in alle initiatieven en programma’s voor conflictpreventie en vredesopbouw moet een gelijkheidsperspectief v/m worden opgenomen. Geweld en seksueel geweld op vrouwen worden sterk veroordeeld en de Raad erkent dat verkrachting een oorlogswapen kan zijn.

Resolutie 1325 bouwt verder op het Verdrag toch uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (1979) en op het Actieplatform van de Vierde Wereldvrouwenconferentie (Peking 1995).Dit brengt haar in het hart van de wereldwijde feministische beweging voor gelijke rechten en gelijke kansen, tegen armoede, uitsluiting en geweld. Resoluties van de Veiligheidsraad zijn bindend. Internationale instellingen, staten en strijdende partijen hebben de plicht om de bepalingen van deze besluiten na te leven en uit te voeren. 

Vijftien jaar na datum, weten we echter dat de druk voor de uitvoering ervan vanuit de basis moet komen. Daarom lanceerde de Vrouwenraad in 2007 de campagne ‘Vrouwenkracht is vredesmacht’. Samen met andere organisaties en bewegingen, waaronder Platform 1325, voeren we actie voor de uitvoering van Resolutie 1325. We informeren en sensibiliseren, ijveren voor de aanvaarding van een Nationaal Actieplan 1325 en steunen kleinschalige projecten van onze Vredesvrouwen. Daarbij beklemtonen wij de rol van vrouwen als actoren voor vrede, eerder dan als slachtoffers van oorlog.

De wereld heeft de stem van vrouwen nodig om bij te dragen tot vrede, gelijke rechten en duurzame ontwikkeling.

 

Download documenten :
Resolutie 1325 Brochure Vlaanderen 2016
VREDESVERKLARING: 'Nooit meer oorlog. Herinneren om te ontwapenen. Vrouwenkrachtis Vredesmacht'
DÉCLARATION DE PAIX: 'Plus jamais de guerre. Commémorer pur désarmer. La force des femmes, une chance pour la paix.'
Artikel: Vrouwen, vrede en gender, 2014
Bemerkingen bij het ontwerp van het tweede Nationaal Actieplan 1325 / 2013
Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad: uitvoering in Vlaanderen Handboek voor parlementairen en het beleid 2012
Brochure: Resolutie 1325. Aan de slag met Vrouwenkracht is Vredesmacht.
De Koerdische strijd vanuit vrouwenrechtenperspectief

Vrouwen, asiel en empowerment
Dagelijks vluchten mensen voor oorlog, geweld, racisme, seksisme…. Mannen, vrouwen en kinderen komen hier terecht in opvangcentra en wachten op de uitkomst van hun asielprocedure. Ongeveer één derde van de asielaanvragen komt van vrouwen. Zij vragen bescherming om dezelfde redenen als mannen maar er is ook een steeds groter wordende groep die om specifieke gendergebonden redenen asiel vraagt. Omdat zij omwille van hun positie in de samenleving vervolgd worden - gewoon omdat ze vrouw zijn - en te maken krijgen met specifieke vormen van geweld (genitale verminking, verkrachting, eerwraak…).

Vrouwen, asiel en empowerment

Dagelijks vluchten mensen voor oorlog, geweld, racisme, seksisme…. Mannen, vrouwen en kinderen komen hier terecht in opvangcentra en wachten op de uitkomst van hun asielprocedure. Ongeveer één derde van de asielaanvragen komt van vrouwen. Zij vragen bescherming om dezelfde redenen als mannen maar er is ook een steeds groter wordende groep die om specifieke gendergebonden redenen asiel vraagt. Omdat zij omwille van hun positie in de samenleving vervolgd worden - gewoon omdat ze vrouw zijn - en te maken krijgen met specifieke vormen van geweld (genitale verminking, verkrachting, eerwraak…).

De Vrouwenraad deed onderzoek naar de leefsituatie van de vrouwen in de Belgische opvangcentra en publiceerde zijn bevindingen in een onderzoeksrapport (2010). Hieruit bleek dat vrouwen zich er vaak in een bijzonder kwetsbare positie bevinden en dat er op vlak van privacy en infrastructuur niet altijd aan hun specifieke behoeften tegemoetgekomen wordt. Anderzijds bleek uit het onderzoek dat de uitbouw van een aparte vrouwenwerking een belangrijk middel is om deze vrouwen uit hun isolement te halen en hun zelfvertrouwen te vergroten.

Vanuit deze vaststellingen startte de Vrouwenraad in 2012 het project ‘Empowerend werken met vrouwelijke asielzoekers in collectieve opvang’ in samenwerking met Fedasil en het Rode Kruis en met de steun van het Europees Vluchtelingenfonds. Gedurende drie jaar hebben een groot aantal vrouwen actief in de vrouwenwerkingen van 17 opvangcentra ervaringen gedeeld en kennis opgedaan. Precies om deze rijkdom aan informatie te delen met nieuwe medewerksters en vrijwilligsters en met geïnteresseerde vrouwen en mannen, werd een toolkit samengesteld. De titel van deze toolkit   ‘Vrouwen ontmoeten vrouwen - Empowerend werken met vrouwelijke asielzoekers in collectieve opvang’ geeft meteen aan waar het op staat. Samen met vrijwilligsters en medewerksters van de asielcentra heeft de Vrouwenraad in de opvangcentra een aanzet gegeven tot activiteiten waarin ‘samenzijn onder vrouwen ‘ en ‘er sterker uitkomen’ centraal stonden. Op deze activiteiten merken wij vaak welke ongelooflijke veerkracht de vrouwen hebben ook al bevinden ze zich in een kwetsbare positie. Ze willen niet bij de pakken blijven zitten en willen alle nieuwe kansen grijpen voor een betere toekomst. Door deze bijeenkomsten en ontmoetingen versterken en brengen we naar buiten wat al aanwezig is in de vrouwen zélf.

Inzetten op de meest kwetsbare groep in de opvangcentra, aandacht hebben voor hun specifieke behoeften en inspelen op de sterke innerlijke kracht van de vrouwen zijn voldoende redenen om een aparte vrouwenwerking uit te bouwen. Elkaar ontmoeten in een veilige omgeving, samen deelnemen aan creatieve, ontspannende of informatieve activiteiten geeft als vanzelf aanleiding tot uitwisselen over wederzijdse interesses of ervaringen.

Download documenten :
Toolkit: Vrouwen ontmoeten vrouwen
Toolkit: Des femmes à la rencontre des femmes
Vrouwen en collectieve opvang bij asiel en migratie
Asile et migration : l’accueil des femmes dans les centres
Eindrapport Juni 2010: Vrouwen en collectieve opvang bij asiel en migratie
Rapport final Juin 2010: Asile et migration: l’accueil des femmes dans les centres